Hoofdstuk 2 B1

Beoordeling 6.5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 1691 woorden
  • 26 april 2003
  • 40 keer beoordeeld
Cijfer 6.5
40 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Overweeg jij een maatschappelijke studie? Meld je nu aan vóór 1 mei!

Misschien is de studie Sociologie of Antropologie dan wel iets voor jou! Bij beide opleidingen ga je aan de slag met maatschappelijke vraagstukken. Wil jij erachter komen welke bachelor bij je past? Stel al je vragen aan studenten Romy of Marie!

Meld je aan!

BIOLOGIE HOOFDSTUK 2

§2.1, inleiding: Gedrag is reageren op prikkels. Alle mensen en dieren tonen gedrag. Tijdens de ontwikkeling komen er steeds meer gedragingen bij: ze gaan meer zien, lopen, glimlachen. Er zijn inwendige en uitwendige prikkels. Sommige gedragingen zijn geboren en gaan automatisch. Dit zijn reflexen. Een prikkel is een verandering van toestand, inwendig of uitwendig, die een reactie ten gevolge kan hebben.

§2.2, ethologie: Ethologie (gedragsleer) is een studierichting binnen de biologie. Ethologen stellen een onderzoeksvraag op en gaan dan het gedrag van een dier bekijken en beschrijven. Vragen in de ethologie: - Hoe ontstaat het gedrag op dit moment? (Door welke prikkel?) oorzaak - Hoe is het in dit dier tot stand gekomen? oorzaak - Hoe is het in de evolutie tot stand gekomen? oorzaak - Wat is het voordeel voor het dier? functie - Wat is de overlevingswaarde voor het dier? functie
Sommige geluiden, kleuren, geuren en smaken kunnen wij niet waar nemen. Daarom maken ethologen gebruik van bepaalde apparatuur. Het is belangrijk dat ethologen iets weten over de bouw van het dier dat ze bestuderen. Antropomorfiseren is het dier als denkend mens beschouwen.

§2.3, gedragselementen: om waarnemen en registreren goed mogelijk te maken, beschouwen we gedrag als een aaneenschakeling van kleine stukjes: gedragselementen. Een reeks van gedragselementen noemen we een gedragsketen. In een gedragsketen kan je goed zien waarom een dier een bepaald gedragselement uitvoert. In een gedragsketen leidt het effect van de ene handeling tot een volgende handeling. Soms kan je een gedragsketen als soortkenmerk gebruiken.

§2.4, waarnemen, beschrijven, verwerken: Als je onderzoek wilt doen naar het gedrag van een bepaalde soort, moet je eerst bepalen welke gedragsketen je wilt onderzoeken. Dan maak je een lijst van alle gedragselementen die binnen de gedragsketen voorkomen. Zo’n lijst heet een ethogram. Je gebruikt een werkwoord om aan te geven wat het dier doet en je zet erbij met welk lichaamsdeel bij dit doet. Als je het ethogram af hebt, ga je je onderzoek beginnen. Gedurende een paar minuten schrijf je elke 5 seconden wat het dier doet. Je gebruikt hiervoor een afkorting van een gedragselement. Dit alles noteer je in een protocol. Als je wilt weten hoe vaak een dier een bepaald gedragselement uitvoert, kan je de frequentieanalyse toepassen. Je noteert per element hoe vaak het dier dat heeft gedaan. Als je wilt weten welke elementen na elkaar voorkomen, maak je een sequentieanalyse:

Daaropvolgende gedragselement: X Y Z
X 4 7 - Y - 12 9
Z 3 6 -

Eerste gedragselement:

§2.5, oorzaak en functie van gedrag: Gedrag van dieren heeft een oorzaak en een functie: Oorzaak: welke prikkel veroorzaakt het gedrag? Functie: wat is voor het dier de reden van het gedrag? wat is het voordeel voor het dier?

§2.6, sleutelprikkel en suparanormale prikkel: Als een bepaalde prikkel voor een dier noodzakelijk is om een gedragsketen op te roepen, spreken we van een sleutelprikkel. Zo’n prikkel kan ook de mate waarin op andere prikkels wordt gereageerd, veranderen. Een dier moet in de juiste stemming zijn om de sleutelprikkel te ontvangen. Andere prikkels kunnen die stemming opwekken. Sleutelprikkels zijn erg belangrijk voor een dier. Soms worden bepaalde sleutelprikkels gebruikt als afleiding, zoals de ogen op de vleugels van een vlinder of de geelzwarte kleur van zweefvliegen. Dit wordt mimicry genoemd: een vorm van imitatie in het uiterlijk van dieren. Een prikkel die sterker is dan de normale prikkel en een versterkte reactie tot gevolg heeft, noemen we een suparanormale prikkel. Koekoeken maken gebruik van broedzorggedrag van andere vogels (broedparasitisme). Het koekoeksei en –jong zijn groter dan de eigen eieren, dus vormen ze een suparanormale prikkel.

§2.7, erfelijke factoren en omgeving: Gedrag kan worden aangeleerd, maar het kan ook worden geërfd. Alle dieren kunnen leren. Tijdens de groei ontwikkelen de zintuigen en zenuwcellen zich, waardoor ingewikkelder gedrag mogelijk is. Die ontwikkeling is afhankelijk van de erfelijke informatie in de cellen en de omgeving waarin het dier opgroeit. Bij dieren met weinig erfelijke variatie, kun je goed onderzoeken wat de invloed van de omgeving is en welke rol de genen spelen. Aangeboren gedrag is gedrag dat de eerste keer dat het door een dier wordt uitgevoerd, meteen goed gebeurd, zelfs als het dier het nog nooit gezien of gehoord heeft. Soms is een bepaald gedrag voor een deel aangeboren, maar voor een groter deel aangeleerd (bijv. vogelzang). Dit komt door de invloed van de omgeving. Flexibel gedrag wordt aangeleerd. Dit is dus bij elk dier anders.

§2.8, leren: Er zijn verschillende vormen van leren: - gewenning: als een prikkel kort na elkaar vaak voorkomt, reageren dieren er niet of nauwelijks meer op. Ze wennen eraan - inprenten: een dier kan iets alleen leren in een bepaalde periode van zijn leven. Dit prent hij in en hij leert ditzelfde nooit meer - klassiek conditioneren: een dier leert een nieuwe prikkel te verbinden aan een ervaring. De nieuwe prikkel is de onvoorwaardelijke stimulus, wat het dier dat doet is de onvoorwaardelijke respons en de oude prikkel is de voorwaardelijke stimulus. - Operant conditioneren: het dier leert nieuw gedrag omdat hij ervoor wordt beloond. Het commando is hier de discriminant, het gedrag de operant en de beloning de bekrachtiger. - Imitatie: dieren nemen bepaald gedrag van elkaar over - Proefondervindelijk leren: net zolang proberen tot iets toevallig lukt - Inzichtelijk leren: dieren leren sneller dan op grond van proefondervindelijk leren mogelijk zou zijn. Ze hebben dus inzicht in de situatie en doen iets doelbewust.

§2.9, gedrag van stekelbaarsjes: Naar driedoornige stekelbaarsjes is door ethologen veel onderzoek gedaan. In het voorjaar krijgen geslachtsrijpe mannetjes een rode buik. Elk mannetje vestigt zich op een vaste plek, het territorium, en bouwt daar een nest. Hij graaft een kuiltje en maakt daar een kokertje van planten. Als een ander mannetje zijn territorium binnenkomt, valt het mannetje aan. Bij de grens van het territorium, waar zijn agressie niet groot genoeg meer is om aan te vallen en zijn vluchtdrang nog niet zo groot is om te vluchten, gaat het mannetje zandhappen of plantendeeltjes oprapen. Dit is overspronggedrag en de indringer trekt zich dan meestal terug. Bij vrouwtjes met een dikke buik gaat het mannetje baltsen. Hij voert een zigzagdans uit en lokt dan het vrouwtje naar het nest. Het vrouwtje kruipt in het nest en legt daar haar eieren (kuit). Daarna kruipt het mannetje zelf in het nest en legt zijn zaadcellen (hom) er overheen. Dan jaagt hij het vrouwtje weg. Nadat hij dit enkele keren heeft gedaan, begint de broedzorg. Het mannetje waaiert water door het nest om zuurstof aan te voeren en CO2 af te voeren. Als de jongen zijn uitgekomen blijft het mannetje ze nog een poosje bewaken, tot ze zelfstandig zijn geworden.

§2.10, communicatie en sociaal gedrag: Dieren communiceren met elkaar. Vooral in de paartijd komt veel communicatie voor. Er is niet altijd sprake van communicatie tussen dieren van dezelfde soort. Soms reageren ze op dezelfde prikkel en komen dus niet voor elkaar (bijv. bijen die op een schaaltje met suikerwater afkomen). Zo’n groep dieren waartussen bijna geen communicatie is, heet een aggregatie. Er zijn ook dieren die in een open anonieme groep leven (bijv. spreeuwen). Zijn leven vredig bij elkaar en zoeken elkaar weer op als de groep uit elkaar geslagen is. Wel houden de dieren altijd enige afstand tot elkaar. Er is wel sprake van communicatie (sociaal gedrag), maar de dieren kennen elkaar niet individueel. Er zijn ook groepen waarbij de leden van de groep elkaar wel herkennen, bijvoorbeeld aan de geur (bijv. bijen). Dit is een sociale groep. Soortgenoten die niet bij de groep horen, worden geweerd. In zo’n groep heeft ieder een taak. Als dieren elkaar duidelijk individueel kennen, heerst er in de groep een rangorde of hiërarchie (bijv. apen en honden). Als dieren met elkaar in contact komen, kunnen er conflicten ontstaan. Een dier kan dan ook verzoeningsgebaren tonen: sleutelprikkels die de agressie van de overwinnaar remmen. Tijdens een gevecht worden ernstige verwondingen vermeden. Het gevecht verloopt volgens bepaalde handelingen, een soort onuitgesproken regels (ritualisatie). Sommige dieren vertonen overspronggedrag. Een functie zou kunnen zijn: ontlading van spanning die ontstaat door twee tegengestelde prikkels. De agressie richt zich dan op iets anders (omgerichte agressie). Een mens slaat bijvoorbeeld als hij boos is op tafel in plaats van tegen iemand anders. Behalve conflicten komt er bij sociaal levende dieren ook samenwerking voor.

§2.11, voedsel zoeken: Dieren hebben voedsel nodig om in leven te blijven. De hoeveelheid tijd die daaraan wordt besteed, verschilt per soort. Sommige dieren foerageren in groepen. Ze hoeven minder tijd te besteden aan zichzelf beschermen, maar er is ook voor elk individu minder te eten. Roofdieren kunnen in groepen grotere prooien overmeesteren dan in hun eentje. Soms wordt een prooi gelokt met een valse sleutelprikkel. Bijvoorbeeld met geuren of gezichtsbedrog. Sommige dieren gebruiken werktuigen bij het foerageren. Dieren kunnen ook gegeten worden. Ze beschermen zich door: waakzaamheid, alarm slaan, schutkleuren, verdediging, vieze geurstoffen of mimicry.

§2.12, voortplanting: Voortplanting is voor dieren van levensbelang. Vogels hebben vaak een opvallend baltsgedrag. Al deze gedragingen verlopen volgens een vast patroon, een gedragsketen, waarbij gedragselementen symbolisch worden en een nieuwe functie krijgen (rituelen). Het proces heet ritualisatie. Functies van de balts: - agressie ten opzichte van elkaar verminderen - aandacht vestigen op een potentiële partner - gedrag van de partners op elkaar afstemmen zodat ze tegelijk paringsbereid zijn - band tussen partners versterken - kans op paring met een verwante soort verkleinen
In de voortplantingstijd bezetten veel dieren een territorium. Zij geven de grenzen aan met geluid, geurstoffen, urine of uitwerpselen. Dit is territoriumgedrag. Functies van een territorium: - dieren kunnen zich voortplanten - voldoende ruimte om de jongen groot te brengen - voldoende voedsel voor de jongen
veel diersoorten vormen paren in de paartijd. Zij zorgen samen voor de jongen (monogamie). Als een mannetje meerdere vrouwtjes heeft noemen we dit polygamie.

§2.13, gedrag van de mens: Ethologen hebben vooral bij jonge baby’s onderzoek gedaan of een bepaald gedrag geërfd of aangeboren is. Jonge baby’s hebben namelijk nog geen gelegenheid gehad om te leren. Veel menselijke gedragingen zoals de wenkbrauwgroet, reiken van de hand en gelaatsuitdrukkingen zoals woede, angst en lachen, komen in veel culturen voor. Ook in het menselijk gedrag komen dingen als sleutelprikkels, suparanormale prikkels, territoriumgedrag en rangorde voor.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.