Zoete mond door Thomas Rosenboom

Beoordeling 6.4
Foto van Cees
Boekcover Zoete mond
Shadow
  • Boekverslag door Cees
  • Docent | 8348 woorden
  • 1 oktober 2009
  • 44 keer beoordeeld
Cijfer 6.4
44 keer beoordeeld

Boek
Auteur
Thomas Rosenboom
Genre
Psychologische roman
Taal
Nederlands
Vak
Eerste uitgave
augustus 2009
Pagina's
549
Geschikt voor
bovenbouw havo/vwo
Punten
4 uit 5
Oorspronkelijke taal
Nederlands
Literaire thema's
Desillusie,
Dierenverhalen,
Eenzaamheid,
Liefdesrelatie: problemen,
Schuldgevoel,
Zin van het bestaan

Boekcover Zoete mond
Shadow

Wanneer dierenarts Rebert van Buyten in 1965 naar Angelen verhuist, brengt hij onder de kinderen een golf van dierenliefde teweeg. Door het stijgen van zijn roem stoot hij onbedoeld de andere beroemdheid van het dorp van zijn voetstuk: Jan de Loper, een dwangmatige grappenmaker. Naarmate de mooie Laura Banda het vaker over de laatste heeft, neemt bij Rebert de afkeer …

Wanneer dierenarts Rebert van Buyten in 1965 naar Angelen verhuist, brengt hij onder de kinderen een golf van dierenliefde teweeg. Door het stijgen van zijn roem stoot hij onbedoel…

Zoete mond door Thomas Rosenboom
Shadow

Oefenen voor je mondelingen?

Komen je mondelingen er aan en wil je oefenen? Probeer onze Boekenquiz. We stellen je open vragen over de gelezen boeken.

ADVERTENTIE
Hulp nodig bij je toetsweek?

Met ToetsMij oefen je per hoofdstuk voor al je vakken, precies op het niveau van je toets. Zo weet je precies wat je kunt verwachten en met de uitleg bij de antwoorden kun je lastige dingen beter begrijpen. Zo zijn er geen verrassingen meer op de toets en haal je hogere cijfers!

Probeer nu 7 dagen gratis!


Feitelijke gegevens over het boek
Gebruikte druk: 1e
Verschijningsdatum 1e druk: eind augustus 2009
Aantal bladzijden: 546
Uitgegeven door: Querido te Amsterdam

Beschrijving van de cover
Op de cover staat de afbeelding van een jongetje {met de rug naar de lezer toe) dat een hondje draagt. In het boek gaat het verhaal ook over dieren en dierenliefde en de hoofdfiguur is dierenarts Rebert van Buyten.

Genreaanduiding van het boek
“Zoete mond” is een psychologische roman over vrijheid en eenzaamheid, over verlangen en over verlies..

De flaptekst
Wanneer dierenarts Rebert van Buyten in 1965 naar Angelen verhuist, brengt hij onder de kinderen een golf van dierenliefde teweeg. Door het stijgen van zijn roem stoot hij onbedoeld de andere beroemdheid van het dorp van zijn voetstuk: Jan de Loper, een dwangmatige grappenmaker. Naarmate de mooie Laura Banda het vaker over de laatste heeft, neemt bij Rebert de afkeer van de man toe tot een welhaast onbedwingbare obsessie. Hij zint op een zoete wraak.

Weergaloos schetst Thomas Rosenboom de rivaliteit tussen twee buitenstaanders in een dorpje aan de Rijn in een afwisselend feeërieke en beklemmende roman over verlangen en verlies. Waar een wit dier verschijnt begint te mythe.


Aanleiding voor Rosenboom om de roman te schrijven.
In een interview met de Belgische krant De Standaard (26 augustus 2009) zegt Rosenboom hierover : “ “Toen ik aan mijn nieuwe boek begon, wilde ik het anders doen dan de voorgaande romans. Bij de andere boeken zag ik een verhaallijn met een begin en een climax. Nu begon het met een gevoel en een sfeer. Ik wilde geen strak boek, maar een meanderend verhaal over dierenliefde\", zegt Rosenboom.
\"Ik kreeg het idee hiervoor toen er een konijn in mijn huis kwam en ik als het ware bedwelmd raakte door dierenliefde. ’Zoete mond’ gaat over een heel dorpje dat bedwelmd raakt door dierenliefde. Ik wilde een algemeen (denkbeeldig) dorpje aan een rivier in een onbestemde tijd, waar nooit iets gebeurt. En als er iets gebeurt, verdwijnt het weer. Net als de witte walvis in het boek die de Rijn opzwemt en weer weggaat\".
In het boek zitten enkele autobiografische elementen en historische gebeurtenissen, zoals de walvis die in 1961 de Rijn opzwom. De titel ’Zoete mond’ roept bij Rosenboom associaties op aan zijn kindertijd. \"Toen ik een jongetje was, zeiden mijn ouders ’hier heb je een stuiver voor de snoepwinkel om snoep te kopen’. Dat gaf een zoete mond. In dit boek zitten ook scènes die dit gevoel van een zoete mond opwekken\".


Motto

Er is geen motto in de roman.

Structuur en/of verhaalopbouw
De roman begint met een proloog en wordt daarna in een drietal delen verdeeld.

Proloog: Wit wild water (blz. 7-14)
Deel I Dorp aan de Rijn (onderverdeeld in 25 hoofdstukken) (blz. 17-438)
Deel II De witte walvis ( 6 hoofdstukken) (blz. 441-505)
Deel III Mannen alleen ( 5 hoofdstukken) (blz. 509-545)

In totaal zijn er dus 3 getitelde delen en 36 getitelde hoofdstukken.
In deel I wordt heden en verleden (vooral dat van Rebert, de dierenarts) afgewisseld, waardoor een niet-chronologisch deel ontstaat
In deel II wordt de draad van de prolog weer opgepakt. We volgen de tocht van de witte walvis door Nederland en Duitsland. In Duitsland worden pogingen ondernomen om de vis te vangen. Rebert loopt daarna een eind met hem mee, als een soort begeleider. Jan de Loper krijgt weer nieuwe energie en haalt weer nieuwe grappen uit. De komst van het witte dier maakt magische krachten los.
Deel III heeft eigenlijk wel het karakter van een epiloog. In Angelen gaat alles weer zijn oude gangetje. Er wordt verteld wat Rebert doet nadat Laura naar een Schots eiland is vertrokken en wat Jan de Loper doet nadat de komst van de vis zijn bestaan even had opgeleukt. Rebert mist zijn Laura en Jan zijn vriendje Donald Duk. De dood van Jan de Loper is het werkelijke einde van het verhaal.

Gebruikt perspectief
Er is sprake van een meervoudig perspectief.
De proloog wordt verteld door een auctoriale verteller die aangeeft wat er met de witte dolfijn/walvis die ze Moby Dick hebben genoemd, gebeurt.

In deel I zijn er eigenlijk twee personale vertellers. De belangrijkste is de dierenarts Rebert van Buyten, die in 1965 naar het Gelderse dorp Angelen vertrekt. We leren zijn gedachten en gevoelens van binnenuit kennen. Ook onthult hij zijn verleden aan de lezer ( studietijd, huwelijk met Tine, haar dood)

De tweede verteller is de historische figuur Jan de Loper, zijn bijnaam in het dorp Angelen. Ook die vertelt in de hij-vorm, maar bij hem ervaar ik toch meer auctoriale vertellerkenmerken dan bij Rebert. Het lijkt alsof er toch iets meer van buitenaf wordt verteld.

Ook het dorp Angelen wordt min of meer door een auctoriale verteller beschreven. Er gebeurt veel in het dorp maar er verandert uiteindelijk niets.

In deel I is er ook nog een vreemd vertellersintermezzo (hoofdstuk 22 waarin het belang van hardlopen voor de mens wordt aangetoond). Vooral in onderontwikkelde landen is de communicatie ermee gediend dat hardlopers boodschappen over brengen. Dit hoofdstuk staat toch min of meer op zichzelf.

In deel II wordt er weer vanuit een auctoriale verteller verteld. Het gebeurt in het eerste hoofdstuk op een bijna journalistieke manier van het schrijven van rapportages, omdat belangrijke personen geciteerd worden. Bovendien wordt dat deel verteld vanuit een perspectief dat jaren ligt. Alwetend en achteraf zijn dan de kanmerken van de vertelinstantie.
Ook in deel II is er zo’n intermezzo als in deel I (Annex geheten) dat over de mythe van witte dieren gaat. Witte dieren bezitten bijzondere krachten.
Daarna verschuift het perspectief weer naar respectievelijk Jan de Loper en Rebert die de passage van het witte dier op hun eigen manier beleven en vertellen.

In het derde deel lezen we verder hoe het met Rebert van Buyten en Jan de Loper gaat. Dat zijn dan ook weer de twee personale vertellers in dit deel. Rebert mist Laura die naar Schotland vertrokken is. Jan mist Donald. Het komt tot een verzoening tussen d e twee “ giganten” van Angelen.

De tijd van het verhaal
In de proloog wordt nadrukkelijk een datum genoemd waarop de witte dolfijn wordt vervoerd van Canada naar Engeland: nl. april en mei 1966. Ook in het eerste hoofdstuk van deel I wordt in het verhaal-Nu een concrete datum genoemd: 8 mei 1966. Daarna worden concrete data genoemd als bijvoorbeeld de dag van het huwelijk van Rebert en de dag van de dood van zijn vrouw: resp. 1960 en 30 juni 1963. In 1965 (na de tweede sterfdag van zijn vrouw) vertrekt hij naar Angelen.
Het verhaal-Nu speelt zich dus af in het middel van de zestiger jaren van de vorige eeuw. Rosenboom gebruikt daarvoor het historische feit van de witte dolfijn/walvis die in die jaren de Rijn was opgezwommen. (Historisch gezien was dat in 1961, maar Rosenboom laat de passage spelen in mei-juni 1966) Het verhaal eindigt in het najaar van 1966.

In het boek komen ook enkele hoofdstukken voor waarin het verleden van de beide hoofdfiguren (de studententijd van Rebert en de loopjaren van Jan de Loper) wordt verteld. Daardoor wordt de chronologische volgorde van de vertelling doorbroken.

De plaats van handeling
Het belangrijkste deel van het verhaal in het heden speelt zich af in het fictieve dorp aan de Rijn Angelen. Het dorp bestaat dus niet echt, maar de beschrijvingen zijn wel uit de kindertijd van Rosenboom, die in 1956 in Doetinchem is geboren en later in Arnhem opgroeit. Arnhem speelt ook een rol in deel I van de roman, omdat Rebert van daaruit naar zijn universiteiten reist en in Arnhem op kamers woont.
In Deel II volgen we Moby Dick ook nog naar Duitsland, waarna hij in Bonn weer terugkeert naar Nederland.
In deel III verblijven we weer in het dorpje aan de Rijn.

Samenvatting van de inhoud
“Zoete mond”is een roman van 545 bladzijden, wat inhoudt dat er vrij veel informatie in de samenvatting staat. Voor een mondeling literatuurschoolexamen is het onderstaande verslag misschien wel veel te uitgebreid.

Proloog
In de proloog wordt een witte dolfijn gevangen in Canada, die aan boord van een schip naar Engeland wordt vervoerd (het is april/ mei 1966) Bij een storm slaat de dolfijn overboord en hij krijgt op die manier zijn vrijheid terug. Of je kunt ook stellen: de zee heeft het dier teruggenomen.

Deel 1 Dorp aan de Rijn
Rebert van Buyten is dierenarts in het dorpje Angelen in Gelderland. Het verhaal begint met een bezoek van de kleine Lieneke met haar moeder Laura Banda die een dode goudvis bij zich heeft. Het meisje is jarig en heeft de goudvis als cadeau gekregen. Ze heeft hem enkele keren uit de viskom gehaald en het resultaat is er dan ook naar. Rebert doet net of de goudvis nog leeft en zegt dat het kind die de volgende dag weer opgemonterd kan komen afhalen. Hij staat bekend als de grote dierenexpert in het dorp. De lezer snapt wel dat hij de volgende dag een nieuwe goudvis heeft gekocht voor het meisje.

Dan komt er een aantal flashbacks. Rebert reist in zijn studententijd van Arnhem naar Wageningen. Hij zit echter op kamers in Arnhem, waardoor hij niet echt betrokken raakt in het studentenleven. Hij woont samen met een student van de kunstacademie Marc. Rebert krijgt niet echt toenadering tot die groep van kunstenaars die heel andere opvattingen dan hij er op nahoudt. Door een gebeurtenis met zijn kat die hij wil laten inslapen[ maar op weg naar de dierenarts bedenkt hij zich], weet hij ineens wat hij worden wil. Hij verruilt Wageningen voor Utrecht, want hij wil nu toch echt dierenarts worden.

Ook in Utrecht is Rebert een boven het gemiddelde uitstekende student. Hij volgt veel colleges in tegenstelling tot zijn medestudenten. Hij mag ook stage lopen bij een dierenarts. Bij [intussen modeontwerper geworden] Marc laat hij een overall maken voor zijn werk als dierenarts.

De camera zwaait even uit dan naar het dorp Angelen aan de Rijn. Het is een dorp waar alles in beweging lijkt, maar waar eigenlijk toch niets gebeurt en alles dus hetzelfde blijft.
Zo gleed het leven voorbij, gelijkmatig als de rivier, in gedurige vernieuwing die eigenlijk opeenvolging was, of vervanging, zodat er niet veel veranderde. Elk jaar kwamen er nieuwe appels aan de bomen, andere appels, maar het bleven appels; elk jaar stonden er nieuwe lammetjes in de wei, maar het bleven lammetjes, en uiteindelijk gold dat ook voor de mensen, die wel stierven en geboren werden, maar voornamelijk toch hetzelfde bleven.’

In het dorpje Angelen woont ook nog een andere bijzondere man. Hij wordt Jan de Loper genoemd, omdat hij veel voetreizen (o.a. naar Parijs) heeft gemaakt. Hij stond in de omgeving bekend om zijn flauwe grappen en grollen. Hij is een soort levenskunstenaar. Maar hij herhaalt ook weer veel dingen. Zo springt hij elke dag in de vijver voor zijn huis om een beetje indruk te maken.

Wanneer Rebert bij dierenarts Beckers stage loopt, mag hij veel dingen al zelf doen: keizersneden bij koeien maken, inentingen doen . ’s Nachts moet hij er vaak alleen op uit, terwijl hij nog niet bevoegd is.
Hij heeft veel werk, leert daarvan veel en studeert daarna snel af als dierenarts. Het is juni 1960. Wanneer hij een poes moet opereren wordt hij verliefd op de eigenares, Tine Spaans. Hij trouwt niet lang daarna met haar. Van Diederik krijgt hij een heel pak condooms als cadeau voor zijn huwelijk. Rebert weet eerst nauwelijks wat het zijn. (en dat voor een dierenarts!) Rebert en Tine maken een huwelijksreis naar het Schotse eiland Fair Isle.

Zo raken ze bevriend met Diederik en diens vrouw Josje en Lonnie. Diederik gaat het jaar daarna(1963) in Friesland zeilen met zijn vrouw, maar wanneer het gaat regenen wordt de animo om door te gaan met zeilen minder. Diederik vraagt aan Rebert of hij zijn vrouw wil komen afhalen en of hij dan de boot wil helpen terugzeilen naar Volendam. Dat lijkt een probleem want Tine durft niet zo goed auto te rijden. Dat is een vooruitwijzing voor de lezer. Toch gaat het allemaal zoals gepland. De zeiltocht over het IJsselmeer wordt heel uitvoerig beschrijven (nl. bladzijden lang wat wel erg vertragend werkt) Tijdens de tocht over het IJsselmeer krijgt Rebert weer ideeën om energie uit golven te produceren.
Wanneer ze aankomen in Volendam, nemen ze contact op met Tine. Maar dat lukt niet, want die heeft een voor de lezer voorspelbaar auto-ongeluk gehad. Er zijn drie doden te betreuren: Tine, Josje en Lonnie. De sterfdag valt op 30 juni 1963. Wie is eigenlijk verantwoordelijk voor de doden? Rebert vindt dat Diederik nooit had mogen vragen of Tine hen had komen afhalen.

Rebert heeft filosofische gedachten o.a. over condoomgebruik en voortplanting. Wanneer iedereen een condoom zou gebruiken wanneer hij seks had, zou de wereld binnen 50 jaar geen mensen meer produceren en zou het overbevolkingprobleem zijn opgelost. Na de tweede sterfdag van Tine (1965) is Rebert er aan toe naar het dorp Angelen te verhuizen. Daar is intussen ook het fenomeen van de uitgevonden televisie te bewonderen, maar het verandert weinig aan het karakter van het dorp, waarin altijd maar weinig gebeurt.

Jan de Loper wordt na de oorlog weer entertainer, maar zijn grappen en grollen slaan steeds minder aan. Hij krijgt een uitnodiging voor een studentendispuut, maar niemand lacht om zijn flauwe grappen. Hij is eigenlijk uitgenodigd om uitgelachen te worden. Wanneer hij ook voor de televisie zijn grappen wil vertellen, wordt hij afgewezen. Wel maakt hij nog indruk op kinderen uit Angelen. Hij heeft een televisie gekocht en alle kinderen komen bij hem naar de kinderprogramma’s kijken, zoals dat in die tijd gebruikelijk was. Een persoon in de buurt had maar televisie en de buurtkinderen gingen dan allemaal bij zo’n buurman naar de kinderprogramma’s op zaterdag -en woensdagmiddag kijken.

Wanneer Rebert in Angelen woont, maakt hij zich bij de kinderen van het dorp populair door Bobbie te redden die bij het oversteken door een auto is aangereden. Op deze hond moet Lieneke passen. Zijn oog hangt eruit, maar Rebert weet het te repareren. Hij laat Lieneke helpen, waardoor die zich ook minder schuldig aan de aanrijding voelt. Laura Banda wil de rekening van de dierenarts betalen en komt hem bedanken. Rebert weigert maar laat zich uitnodigen op de thee in het komende weekend. Hij lijkt zich nu te hebben gesetteld.

Hij heeft intussen ook Marc weer eens ontmoet: de student kunstgeschiedenis. Die heeft een positie in de Amerikaanse reclamewereld veroverd. Rebert wil eigenlijk het liefst met hem gaan stappen naar hun oude stamcafé, maar daar nodigt Marc hem niet voor uit. Rebert hoort er uiteindelijk toch niet bij. Wel schrijft Rebert later die avond zelf het script voor een reclamefilmpje, waar hij enige tijd later maar liefst 30.000 dollar voor ontvangt. Meer geld dan hij met zijn dierenartsenpraktijk ooit verdiend heeft. Het is een filmpje waarin hij beschrijft dat een beul zijn ex-klasgenoot moet executeren. Wanneer hij dat verhaal later aan zijn vrouw vertelt, vindt ze dat het tijd wordt van baan te veranderen. Het is een commercial voor een uitzendbureau waarin mensen wordt aangeraden eens iets anders te proberen. Dat is wel symbolisch voor het boek. In Angelen gebeurt immers niets en er verandert ook nooit iets.

Hij gaat in het weekend op bezoek bij Laura, die hij nog steeds een erg aantrekkelijke vrouw vindt. Haar man, een Schot, zit op de grote vaart. Ze vertelt hem het een en ander over Jan de Loper. Ze zou graag zien dat hij contact met Jan maakt. Daarna bemoeit Rebert zich vooral met het konijn van Lieneke. Hij geeft haar aanwijzingen hoe ze met het dier moet omgaan. Door het omgaan met de dieren is Rebert heel populair onder jeugd aan het worden. Ze komen vaak bij hem langs om hun dieren te laten zien. Het dorp wordt dierverliefd. Japie, een jongetje dat daarvóór veel gepest wordt, krijgt nu aanzien met zijn konijn Bink.

Eigenlijk ontstaat er op die manier iets triests in de roman. Door de populariteit van de dierenarts wordt de stralenkrans rondom Jan de Loper minder. Die heeft steeds minder vrienden in het dorp: op zondag weet hij eigenlijk niet bij wie hij moet langs gaan. Hij vertelde altijd het verhaal dat hij zoveel post van fans ontving, dat hij die ’s nachts moest beantwoorden en de volgende dag op een ezeltje de zak met post naar het postkantoor moest brengen. Maar die populariteit is hij dus aan het verliezen.
In het dorp heeft hij zich ontfermd over een wat zielige jongen, de tiener Donald Duk die nadat het beroemde kinderblad met dezelfde naam in die jaren uitkomt, door de jeugd van Angelen flink met zijn naam wordt gepest. Jan ontfermt zich dus over hem en bedenkt ook weer nieuwe grappen en grollen met Donald. Een mobiel zebrapad dat je ineens kunt uitrollen wordt in Angelen nog wel als grappig gezien, maar dezelfde grap uithalen in de stad is minder geslaagd. Jan wil met Donald een bedrijf opzetten dat de export naar Afrika regelt. Ook laat hij de pastoor van het dorp op zijn damesfiets met een dameszadel fietsen. De bewoners vinden het allemaal wel grappig.

Rebert is op aanraden van Laura intussen een reis gaan maken naar Fair Isle, waarheen hij ook met Tine op huwelijksreis is geweest. Hij zou er misschien Tine kunnen terugvinden. Hij vermaakt zich op het eiland vooral met wandelen. Teruggekomen van zijn reis vertelt Laura hem over de grappen van Jan de Loper. Rebert vertelt haar over de schoonheid van de natuur op het Schotse eiland. Hij is erg van haar gecharmeerd,(heeft ook wel seksuele fantasieën over haar) maar het heeft er toch alle schijn van dat ze niets met hem wil. Hij blijft de kinderen helpen met hun dierenliefde. Rebert heeft door de wandeltochten in Schotland ook een nieuwe hobby gekregen: hardlopen. In zijn smetteloos witte tenniskleding gaat hij steeds grotere afstanden afleggen. De burgemeester van het dorp komt hem met een flesje wijn bedanken voor de positieve publiciteit die hij voor het dorp heeft (artikelen in de krant ver zijn dierenpraktijk) maar vertelt hem ook over de betekenis van Jan de Loper voor het dorp. Hoe zouden ze die kunnen eren? Met het laten verschijnen van een biografie over de man, oppert Rebert, omdat hij zoiets wel gehoord heeft van Laura. Het verlegen en vaak gepeste jongetje Japie komt met zijn dode konijn Bink naar Rebert toe. Hij moet het dier een nacht bij hem laten en het wordt duidelijk dat Rebert een poging doet om bij de boerderijen in de buurt een soortgelijk konijn als Bink op te snorren. Dat lukt en de jongen is weer helemaal gelukkig. Rebert blijft in de tussentijd ook nadenken over zijn idee van energie uit golven te halen. Hij gaat steeds technieken bedenken om dat voor elkaar te krijgen.

Intussen heeft hij Jan de Loper opnieuw ontmoet en hij is deelgenoot geworden van enkele flauwe grappen van de man. Ook die heeft dus eigenlijk iets heel zieligs over hem liggen. Zijn grote populariteit is na de oorlog tanende. De televisie had hem misschien kunnen redden, maar de televisie wilde hem niet. Hij blijft zich wel inzetten als Zwarte Piet voor de kinderen van het dorp en daarbij gooit hij pepernoten en ander strooigoed naar Rebert, die zich daardoor vernederd voelt. Ook vindt hij dat hij langs moet komen omdat één van zijn dieren ziek is. Rebert neemt dezelfde avond wraak door hem op te bellen met een verdraaide stem en hem te vragen of hij een biografie over Jan de Loper mag schrijven. Die voelt zich weer vereerd daardoor. Hij vertelt het de volgende dagen aan iedereen die het maar horen wil. Daarna wordt het winter en is de praktijk niet meer open. Op een van zijn hardloopsessies komt Rebert Laura tegen die hem op haar paard passeert. Ze groet hem en hij is heel erg blij. In de kerstvakantie zit ze met Lieneke in New York omdat haar man daar in de haven is gelegen. Dan wordt het weer lente.

In de roman komt dan een vreemd hoofdstuk dat de kracht van hardlopen voor natuurvolken onderstreept. Het is een belangrijk middel voor de communicatie.

In de lente gaat de praktijk weer open. En Lieneke komt vertellen dat ze een dag later jarig is en graag een dier voor haar verjaardag wil hebben. Ze krijgt een goudvis en dan vertelt Rosenboom voor de tweede keer de anekdote dat ze haar goudvis dood komt afleveren bij Rebert. (de herhaling als literair motief) De volgende morgen heeft hij natuurlijk een nieuwe goudvis voor haar gekocht en daarvoor wil Laura hem graag bedanken. Ze gaan een stukje wandelen langs de rivier: het stormt het is 9 mei 1966 (de dag dat de witte Moby Dick vrij komt) en ze praten over van alles: de artsenpraktijk, de commercial die Laura in Amerika heeft gezien (die van Rebert van het reclamebureau dat Times are changing promoot- de beul die van werk wil veranderen omdat hij een vriend op de elektrische stoel moet zetten ) en de eenzaamheid van Jan de Loper. Laura vindt het zielig dat een wildvreemde man Jan ‘s nachts heeft opgebeld met de mededeling dat hij een biografie over hem wil schrijven. Eerst was hij blij geweest, maar door de ruis op de lijn was het gesprek afgebroken (een grap van Rebert) Omdat hij niets meer van de biograaf had vernomen, was Jan de Loper steeds meer solitair gaan leven. Hij komt vrijwel niet meer buiten en Laura heeft medelijden met hem. Vermoedt ze dat Rebert achter de grap zit, omdat het gebeurde op de dag dat hij bekogeld was met pepernoten?

Deel 2 De witte walvis
In deel 2 wordt verteld over de ontsnapping van Moby Dick als gevolg van de storm op 9 mei 1966. De dolfijn/walvis zwemt door de Noordzee en gaat de monding van de Nieuwe Waterweg in. Hij zwemt door alle onderdelen van de Rijn en komt in Duitsland terecht, waar de Duitse onderzoeker, de Heer Gewalt, er een sport van maakt om hem te vangen en er eigenlijk een drijfjacht van maakt. Hij wil per se Moby Dick vangen, maar dat lukt hem zelfs met allerlei hulpmiddelen niet tot drie keer toe niet.

In een annex wordt auctoriaal informatie gegeven over de fabel van de witte dieren (de duif, eenhoorn, paard, walvis) Bij de witte dieren begint de mythe, ze hebben bijzondere krachten.

Daarna wordt het perspectief verlegd naar Jan de Loper, die eindelijk uit zijn depressie is opgestaan. Hij hoort van de televisie die aandacht wil besteden aan de passage van de walvis naar Duitsland. Er komt namelijk ook buitenlandse pers op af. Jan de Loper krijgt de geniale inval dat zijn naam in het Engels Johnny Walker heet en hij maakt een reuzengrote fles whisky met het etiket van Johnny Walker. Zo weet hij weer de aandacht te trekken van de bewoners. Laura Banda heeft inmiddels aan Rebert gevraagd of hij een lezing in het openbaar aan de bewoners wil geven over de walvis op het moment dat de vis het dorp voorbij zwemt. Rebert doet het een beetje tegen zijn zin, maar wat hij vertelt, is niet bijzonder en bovendien maakt Jan de Loper hem ook nog eens belachelijk. Rebert staat op een podium in een truck. Dan komt de grote vis stroomopwaarts gezwommen in de richting van Duitsland en iedereen in het boek staat te kijken langs de kant van de rivier hoe het dier statig en kalm tegen de stroom inzwemt. (Lieneke, Laura, Rebert, Jan, bakker Duk en zijn vrouw) Het is een imposante gebeurtenis. Tijdens de passage ziet Rebert Marc weer die nu televisiepresentator is geworden. Hij maakt een interview met de burgemeester.
Jan heeft indruk gemaakt met zijn Johnny Walker-act, Rebert is wat ontevredener over zijn slechte lezing en gaat zich helemaal in het wit omkleden. Dan rent hij met papieren en al de grote vis achterna. Hij vergezelt hem naar Duitsland.

De grote vis zwemt naar Duitsland waar Doctor Gewalt weer op hem wacht. Deze keer wil hij hem met een harpoen beschieten, maart door een sabotageactie van natuurvrienden mislukt dat. De vis zwemt door naar Bonn, waar een Navo-top is. De media maken er intussen van dat de vis het grote symbool is tegen de watervervuiling van de Rijn. Moby Dick is daar in Bonn op 13 juni 1966 om vervolgens weer rechtsomkeert te maken naar Nederland. Binnen drie dagen is hij via Hoek van Holland naar zee gezwommen. Met de stroom mee gaat het immers aanmerkelijk sneller. Rebert is de weg naar Duitsland steeds langs de rivier met de vis meegelopen: als een soort heraut kondigt hij de komst van de vis aan.

Deel 3 Mannen alleen
Rebert keert langzamer terug naar Nederland dan de snel zwemmende vis. Hij schaamt zich een beetje wanneer hij vijf weken later weer in Angelen verschijnt. Pas na de vakantie durft hij weer langs het huis van Laura en dan ziet hij tot zijn schrik dat er een bordje “ Te koop “ staat bij haar woning. Zonder het hem te vertellen is ze uit het dorp vertrokken. De mannen Rebert en Jan blijven dus nu alleen over. De vroeger door de kinderen gepeste Japie wordt weer opnieuw gepest. De kinderen komen niet meer langs om hun dieren aan hem te tonen. Het leven in het dorp lijkt weer teruggekeerd naar vroeger.

Er komt een brief van Laura. Ze woont nu op het eiland Fair Isle, waar ze het inderdaad nog mooier vindt dan uit Reberts verhalen was gebleken. Ze had het Rebert niet willen vertellen omdat hij op het eiland zijn vrouw had gezocht. Haar Schotse man Paul en zij hadden elkaar juist daar weer gevonden: hij was van de grote vaart afgegaan en was nu veerman geworden. Ze hadden elkaar in de liefde teruggevonden. Ze vraagt hem verder of hij nog eens wil langs gaan bij Jan de Loper. De brief maakt de afstand tussen hem en Laura groter. Hij voelt zich zelf een poste restante brief die op het postkantoor is blijven liggen. Ook ontvangt Rebert een brief van Marc die weer een afspraak met hem wil maken.

Jan de Loper ontvangt eveneens een brief en wel van Donald Duk. Die heeft het toch een beetje gemaakt in Afrika. Hij heeft zelfs verkering met een meisje en hij vraagt waar zijn brommer blijft. Die had Jan hem beloofd. Die maakt zijn belofte waar en hij laat een brommer vanuit Rotterdam naar Afrika verschepen. Zelf gaat hij niet meer mee naar de havenstad. Niemand kent Jan de Loper meer: hij is in de vergetelheid geraakt.

Marc maakt de afspraak met Rebert. Hij is eigenlijk helemaal niet zo geïnteresseerd in het leven van Rebert. Hij denkt na al die jaren nog steeds dat Tine in leven is (ze werkt toch in het onderwijs?) Ze nemen ook hetzelfde gerecht als jaren geleden (symbolisch voor er is niets veranderd) Marc werkt voor de televisie, maar zweert bij televisiereclame. Die gaat ook in Nederland een belangrijke rol spelen. De schoenenfabriek Bata moet over de streep worden getrokken. Kan Rebert niet net zo’n leuk reclamefilmpje maken als enkele jaren gelden voor de Amerikaanse televisie?. Ter plekke bedenkt Rebert een filmpje waarin Jan de Loper een belangrijke rol speelt. Die moet naar Parijs gaan lopen op schoenen van de Bata. Hij wil meteen goedkeuring van Marcs opdrachtgever en dat lijkt diezelfde avond nog te lukken. In het restaurant zit ook nog zijn vroegere baas Beckers. Die verkeert in de veronderstelling dat Rebert een eigen dierenpraktijk heeft en dat hij door de haast waarmee Rebert wil weglopen naar een spoedbevalling van een dier moet. Maar Rebert rijdt naar huis terug. Hij gaat langs bij Jan de Loper om zijn idee van het reclamefilmpje van de Bata met hem door te nemen. Jan de Loper heeft er wel oren naar. Dan smeedt Rebert het ijzer wanneer het heet is. Hij vraagt of hij de biologie van de loper mag schijven. Jan is daarover zeer verblijd. Rebert vraagt naar alle flauwe grappen die Jan de Loper heeft uitgehaald en ze passeren weer alle de revue ( de zak met post, het bedienen als ober op zijn eigen terras, het aanleggen van het zebrapad, het dameszadel, het dagelijks springen in de vijver etc.) Ook de wandeltochten (naar parijs en door De Indische archipel komen in dat gesprek ter sprake)
Jan zegt dat er al eens eerder een biograaf in de nacht gebeld heeft en hij beseft dan dat dit Rebert moet zijn geweest. Die vertrekt en zegt dat hij een dag later terugkeert. Rebert blijft in de weken erna aantekeningen maken, hij blijft ook hardlopen en na een tijdje worden de opnamen voor de commercial gemaakt. Donald Duk heeft een foto van de brommer met zijn meisje gestuurd.
Na maanden met interviews heeft Rebert zijn biografie over Jan de Loper klaar. Hij biedt het aan de burgemeester aan die het in een zeer beperkte opgave (10 exemplaren) laat drukken. Er is geen uitgever bij het boek betrokken. Maar het boek over Jan de Loper bestaat.
Rebert stuurt een exemplaar naar Laura, die had zich in het verleden ook graag zo positief uitgelaten over Jan de Loper en hij wil daarna een exemplaar aan de man zelf aanbieden. Maar dan blijkt dat Jan de Loper gestorven is. Hij was die ochtend plotseling dood neer gevallen. De dienstbode neemt de biografie in ontvangst en ze legt het boek zonder veel omhaal op de borst van Jan de Loper in de lijkkist. Ze denkt dat Jan er erg blij mee zou zijn geweest.
Rebert vertrekt uit het huis van de wandelaar, want hij heeft er niets meer te zoeken. Hij loopt in een wit landschap vanwege de sneeuw. Hij trekt zijn witte tenniskleren aan, neemt zijn spullen mee en kijkt nog eens om zich heen. Dan gaat hij hardlopen. Hij weet als hij maar door blijft gaan, dat hij vanzelf een loper wordt.

Titelverklaring
“Zoete mond” kan wellicht op diverse dingen in de roman wijzen. Laura Banda, de lieftallige vrouw in de roman, heeft een opmerkelijk prettige mond. Rosenboom geeft zelf als verklaring voor de titel : de associatie met prettige dingen uit zijn kindertijd. Toen ik een jongetje was, zeiden mijn ouders ’hier heb je een stuiver voor de snoepwinkel om snoep te kopen’. Dat gaf een zoete mond. In dit boek zitten ook scènes die dit gevoel van een zoete mond opwekken.
Herhaaldelijk wordt in de roman dan ook aandacht besteed aan de mooie mond van Laura die voor Rebert een prettige associatie heeft.

Verder kun je zoete mond ook opvatten voor de uitingen van lieve woorden. Zowel Rebert (de zeer vriendelijke maar zeker niet ambitieuze dierenarts) als Jan de Loper (met zijn grappen voor de kinderen; hij is ook de plaatselijke Zwarte Piet) proberen zo vriendelijk mogelijk over te komen. Eigenlijk streven ze naar de optimale aantrekkingskracht op de jeugd. Dat is wel triest voor Jan die eerst de populairste man van het dorp was, maar door de dierenliefde activiteiten van Rebert gepasseerd wordt.

Thematiek en interpretatie
“ Zoete mond” is een roman over eenzaamheid, desillusie, liefde, vergankelijkheid Kortom, “ Zoete mond” gaat over alle facetten van het leven. De twee hoofdpersonen van het boek Rebert en Jan zijn in feite onafhankelijk. Rebert is zijn vrouw Tine door een ongeval kwijtgeraakt en Jan is na de oorlog in het dorp komen wonen na een tijd van grappen en grollen en van lange wandeltochten. De tijd heeft hem echter ingehaald. Beiden hebben ze eigenlijk overal lak aan: ze wonen niet in het dorp en ze vechten een concurrentiestrijd uit vanwege de populariteit die ze beiden genieten. Jan de Loper was er het eerst en maakte het dorp een beetje wakker met zijn overigens flauwe grappen en grollen. Maar in het toch wat doodse Rijndorpje slaan ze wel aan.

Dan komt er een nieuwe “ onrustzaaier “ in het dorp. Bij de komst van de dierenarts moest ik toch wel denken aan de debuutroman van Willem G. van Maanen waar de nieuwe onderwijzer Chris het suffe Kampen wakker schudt, maar tenslotte een illusie armer het stadje weer verlaat. Zowel meester Chris als dierenarts Rebert hebben iets van de Christusfiguur. Rebert verzorgt de dieren en laat ze zelfs symbolisch uit de dood opstaan (de goudvis van Lieneke en het konijn van Japie) Voor de kinderen is hij de wonderdokter zoals Chris en Christus de grote kindervriend zijn. Eigenlijk is het een tragisch gegeven dat beide mannen om de populariteit in het dorp strijden.
Door elkaar te benijden soms te pesten, missen ze elkaars vriendschap. Wanneer Rebert dat aan het einde van de roman beseft (zijn grote liefde in het dorp Laura had hem er al enkele keren opgewezen) is het feitelijk te laat. Het komt nog wel tot de afronding in een biografie (niet voor niets in het hoofdstuk “ Verschoning” beschreven), maar wanneer het boek af is en Rebert en Jan tot elkaar genaderd zijn, maakt Jan de uitgave niet meer levend mee. Hij is het symbool van de persoon die tegen de vergankelijkheid vecht. Eigenlijk is hij een ridder van de droevige figuur, die maar grappen en grollen van een laag niveau blijft maken. De nieuwe tijd gaat aan hem voorbij: de televisie is niet aan hem besteed en wanneer hij ana het einde van de roman toch eindelijk in een commercial mag spelen (dank zij Rebert), is het te laat. Hij leest nog datgene wat Rebert over hem geschreven heeft, noch zal hij zijn commercial over de Bataschoenen ooit zien.

Maar ook Rebert is een eenzame figuur. Hij is altijd een bijzondere jongen geweest: een hard werkende student terwijl zijn medestudenten er de kantjes af liepen. Hij hoorde niet bij de kunstenaars als Marc, hij bleef heen weer reizen met de trein in plaats van op kamers in de studentenstad te gaan wonen en bij zijn eerste meisje is het meteen raak. Die raakt hij door een ongeluk weer kwijt. In het suffige stadje Angelen raakt hij geïnteresseerd in de mooie Laura Banda die bovendien een lief kind heeft en een afwezige man. Normaal gesproken een situatie die rijp is voor een lekkere liefdesgeschiedenis. Hij doet wel pogingen om bij haar in de aandacht te komen, ze geeft hem af en toe een beloninkje, maar de lezer ziet wel in dat Rebert toch eigenlijk weinig bij haar zal klaarmaken wanneer hij echt werk van haar wil maken. Daarvoor houdt ze hem te veel af, is ze op beslissende momenten te afstandelijk en wijst ze teveel naar Jan de Loper die ze misschien wel interessanter vindt. Die voor haar opgevatte verliefdheid wordt een desillusie. Laura blijkt nadat de walvis zijn heen-en terugzwemtocht voltooid heeft uit Angelen vertrokken te zijn, nota bene naar het eiland waar Rebert haar op gewezen heeft en waar hij met zij eigen Tine op huwelijksreis is geweest. Dat is een pijnlijke conclusie. De brief die ze hem na het afscheid stuurt, brengt haar niet meer dichter bij hem. Hij stort zich dan ook meer op het hardlopen in zijn witte kledij. Die kleur kan natuurlijk niet toevallig zijn wanneer in deze dikke roman een prominente plaats ingeruimd is voor de verschijning van een witte walvis/dolfijn die bovendien in de media Moby Dick wordt genoemd. Waar witte dieren verschijnen begint de mythe. Ook Rebert is een Moby Dickfiguur. Hij heeft zijn opwachting in hetzelfde dorp gemaakt als Moby Dick en hij verdwijnt er ook weer in zijn witte tenniskleding. Ook hij gaat zijn vrijheid weer tegemoet.
Wel heeft Rebert een golf van dierenliefde in het dorpje Angelen gebracht. Dat gaat gepaard met de komst van de walvis, maar alle kinderen koesteren hun dieren en laten die hoe gezond ze ook zijn aan Rebert zien.
Het was voor Thomas Rosenboom (getuige zijn uitlatingen in interviews) ook de aanleiding tot het schrijven van de roman. \"Ik kreeg het idee hiervoor toen er een konijn in mijn huis kwam en ik als het ware bedwelmd raakte door dierenliefde. ’Zoete mond’ gaat over een heel dorpje dat bedwelmd raakt door dierenliefde. Ik wilde een algemeen (denkbeeldig) dorpje aan een rivier in een onbestemde tijd, waar nooit iets gebeurt. En als er iets gebeurt, verdwijnt het weer. Net als de witte walvis in het boek die de Rijn opzwemt en weer weggaat\".

De belangrijkste verhaalmotieven voor je leesdosssier
- De zin van het bestaan
- Eenzaamheid
- Twee mannen die vechten om de gunst van ene vrouw
- Dierenliefde
- De massahysterie of de hype rondom de walvis
- Het opkomen van de televisie-industrie (de commercials)
- Desillusie
- Vergankelijkheid
- Het verlangen naar vrijheid en onafhankelijkheid

Beoordeling scholieren.com

Natuurlijk is “ Zoete mond” een mooie roman. Er bestaat bij mij natuurlijk geen twijfel over het vakmanschap van Thomas Rosenboom. Het boek is bovendien mooi uitgegeven door Querido, maar het telt maar liefst 546 bladzijden. Dat lees je als scholier niet zo maar even voor het vuistje weg. Bovendien is het tempo van vertellen vooral in grote delen van deel I heel traag en zit er maar weinig beweging in de vertelling. De uiterst gedetailleerd beschreven zeiltocht van Hindelopen naar Volendam kan in dit opzicht als bewijs gelden. Hoewel Rebert hier een idee krijgt voor een voor het milieu belangrijke uitvinding van energie uit golven, zijn het ook bladzijden waarbij je geneigd ben om te slaan zonder nauwkeurig te lezen. Dat is jammer, want Rosenboom schrijft mooi en zorgvuldig, maar nogmaals gezegd erg traag. Misschien was het wel zijn bedoeling omdat in het dorp Angelen alles ook zo onnaoorlogs traag verloopt. Er verandert namelijk nauwelijks iets in het dorp.
Rosenboom heeft ook geen schokkende gebeurtenissen te beschrijven of erotische passages te hulp te roepen om lezers te boeien. Die komen dan ook niet in het boek voor.

Natuurlijk is “ Zoete mond” literair gezien een hoogtepunt onder de verschenen boeken van 2009. De titel zal ongetwijfeld verschijnen op de long- en shortlisten van de diverse literaire prijzen. (Ako, Libris)
Die literaire waardering wil ik dan ook best uitdrukken in vier punten, wat niet zo vaak voorkomt. Maar je moetwel een fervente literatuurliefhebber zijn als je aan het boek wilt beginnen voor het lezen van je literatuurlijst voor school. Je leest et niet zo maar even op een namiddag. Nou, hoeft dat natuurlijk ook niet. Literatuur mag zijn prijs hebben Wat de inhoud betreft geschikt voor havo-5 en vwo-6.

Relevante recensies
Een nieuwe roman van de bekende en gerenommeerde schrijver Thomas Rosenboom wordt altijd besproken in de landelijke dagbladen. Ook bij “Zoete Mond” is dat gebeurd. Hieronder volgt een selectie uit de belangrijkste recensies, die een goed beeld geven van de ontvangst van de roman bij de recensenten. Het kan bijna niet anders of de nominatie voor een bekende literatuurprijs in 2010 zal worden bekend gemaakt.

In Het Parool is Arie Storm positief. Hij geeft vier sterren aan zijn waardering. Rosenboom heeft enige tijd nodig om te laten zien dat Rebert van Buyten zelf in feite óók een lege man is. Na het hoofdstuk waarin we hem als een Victor Frankenstein met dood en leven in de weer hebben gezien, volgt een langdurige flashback, waaruit Rebert tevoorschijn komt als een man zonder eigenschappen. Uiteindelijk belandt hij in Angelen en daar begint de strijd met die andere man die de inhoudsloosheid van zijn leven heeft opgevuld met dromen: Jan de Loper. De olijkerd en de dierenarts belanden al dan niet gewild in een duel om de titel van populairste man van het dorp. Om dit verhaal te verhevigen, heeft Rosenboom verder een onbereikbare vrouw, Laura Banda, tussen de twee heren geschoven.

Intussen kondigt de nieuwe tijd zich aan. Hoewel Rosenboom er niet voor heeft gekozen herkenningspunten te planten, zien we in deze roman de groeiende tol van de tv en de reclame, melden hippies zich en komen we de eerste jogger tegen. Die zaken benadrukken alleen maar dat in Zoete mond een wereld wordt opgeroepen die al met al toch voorgoed voorbij is, en dat stempelt deze nieuwe roman van Rosenboom tot een weemoedige.


Rob Schouten bespreekt de roman in Trouw van 29 augustus 2009 : Rosenboom zet zijn boeken heel zorgvuldig op, hij werkt er jaren aan, doet onderzoek, documenteert zich omstandig en laat zich niet afleiden door bijzaken als het schrijven van columns of lucratieve optredens. Niets van de anything goes-slordigheid van veel tegenwoordige auteurs kleeft hem aan. Vakmanschap en virtuositeit zijn zijn handelsmerk.
In het voetspoor van W.F. Hermans, bij wie geen musje ongemotiveerd van het dak mocht vallen, zijn ook Rosenbooms boeken tot in het kleinste detail doortimmerd. Zo begint hij gewoontegetrouw vanuit een zijpad, dat de lezer als het ware vanuit een ooghoek naar de hoofdpersoon voert. Hij zet de verschillende hoofdstukken op als afgeronde scènes, hier en daar afgewisseld met passages van historische of wetenschappelijke aard, om de lezer even bij te praten. Het verhaal ontrolt zich steevast noodlottigerwijs naar een climax of anticlimax. […]Die kokette stijl, gevoegd bij de haast sadistische aandacht voor de zwakke kanten van zijn personages, vormen de explosieve en wat mij betreft onweerstaanbare mix in Rosenbooms schrijverschap. Hij is precieus en pervers tegelijk, weet het allerkleinste en lulligste uit zijn personages te halen. In zekere zin zijn zijn romans poppenspelen, ontheven aan de werkelijke wereld, maar opgevoerd om de toeschouwers iets van de menselijke zwakheid te demonstreren.[…] 2005 pleitte Rosenboom in een opmerkelijk reactionair pamflet, ’Denkend aan Holland’, voor een terugkeer naar oude waarden: kinderen die opgevoed worden tot beleefdheid en zich op stille zondagmiddagen stierlijk vervelen. Nu zijn romans onze eigen tijd naderen, vraag je je af hoe hij zijn karakters tegen elkaar zal uitspelen in de wereld van internetgames en tv-spelletjes, een wereld waar hij in zijn essay zo van gruwde.


De gerenommeerde recensent van Vrij Nederland, Jeroen Vullings, geef een diepe analyse op 29 augustus 2009. Zoete mond, de nieuwe roman van Thomas Rosenboom, bevat alle bekende rosenboomsiaanse ingrediënten. Behalve één: de ontwrichtende diepgang. De schrijver blijkt een medemens.[….] Meer dan in enig andere Rosenboom-roman is herhaling als literaire strategie benut. Het best is dat te zien bij het personage Jan de Loper, een manische figuur die ten gevolge van afkomst en erfenis zijn leven lang niet hoefde te werken en die in zijn jeugd voetreizen door ons Indië maakte, met zijn bediende Boy. Later liep hij ook nog op zijn sloffen naar Parijs en mede door de belangstelling van De Gelderlander was hij wereldberoemd in eigen streek. Dat vuurtje wakkerde hij aan door wat je nu \'mediastunts\' zou noemen te verzinnen: in zijn pyjama op zijn ezeltje een postzak correspondentie - die nacht geproduceerd - naar het postkantoor brengen. Ook sprong hij iedere dag, als er publiek bij was, in zijn eigen vijver, \'gewoon omdat ik er zin in had\', zomer of vrieswinter.[….] Zo bezien gaat Zoete mond over de moderne mediacultuur waarin we leven, die draait om populariteit door \'onuitzonderlijkheid\' - waardoor iedereen recht heeft op een claim op faam. In 1965 had je nog geen reality-tv, maar die gruwelweg wordt, in Rosenbooms weergave, al geplaveid door de oprukkende televisiereclame.

Uiteindelijk is Zoete mond een moralistische louteringsgeschiedenis: Rebert die \'verschoning\' zoekt, gaat met kreunende ziel een biografie van zijn rivaal Jan de Loper schrijven, \'s mans hartewens. Want als die Jan zich ergens in onderscheidde, was het dat hij niet alleen iets voor zichzelf, maar ook voor anderen deed: zijn enige vriend Donald Duk hielp hij aan werk in het verre Afrika, waar diens naam geen handicap is.

De botanicus Rosenboom heeft de blik wijder gericht dan op zijn terrarium, de schrijver blijkt nu eerst en vooral een medemens. Hij is mild geworden, getuige Zoete mond: met verve geschreven, amusant, maar niet duivels en verontrustend en urgent. De ontwrichtende diepgang uit eerdere romans ontbreekt. Uiteraard heeft Zoete mond ook een gedegen rosenboomsiaans vertelschema, ik zie de behangrol erachter, met alle genoteerde tegenstellingen. Het klopt allemaal, de personages maken een ontwikkeling door, maar al met al hakt de roman er onvoldoende in. Het blijft bij drama\'s die de persoonlijke historie van de personages niet overstijgen. Om dat te ondervangen, had Rosenboom de Geschiedenis als vierde hoofdpersoon moeten toevoegen. In zijn Nederland van 1965 staat te weinig op het spel.


De hele recensie van Vullings is te lezen via de volgende link: www.vn.nl/KunstCultuur/DeRepubliekDerLetteren/ArtikelLiteratuur/ZoeteMondThomasRosenboom.htm

In De Volkskrant van 28 augustus is Daniëlle Serdijn ook over het algemeen positief. Dan Rosenboom en stijl. Lezers raken er niet over uitgepraat (kijk voor de grap eens op internetfora): is het oubollig, parmantig, tuttig? Is het iets voor vroegoude jongens? Is het de stijl van een poseur? Regeert ook in zijn stijl de angst waarin Rosenboom het zekere voor het onzekere neemt en liever helemaal dan half, liever te veel dan te weinig, liever traditioneel dan modern, en honderd keer liever beleefd dan brutaal?
Gevolg is hoe dan ook dat het pit mist. Traagheid troef in Zoete mond met die eindeloos uitgesponnen zinnen, aaneengeklonken door vele komma’s en gesteld in ouderwetse verhaaltaal: ‘Natuurlijk, met Pasen, in New York, was zij ongetwijfeld bemind en als vrouw opgebloeid, maar dat was alweer een poosje geleden …misschien stelde zij zich wel voor hoe hij, gezien het verbluffende herstel van de goudvis, ook haar weer zou kunnen laten bloeien in haar broekje …’, en dan meandert het nog vijf onafgebroken regels voort, als was het de Rijn zelf.
Toch krijgt die traagheid en voorkomendheid na verloop iets bedwelmends, alsof iemand zacht over je rug streelt, je weerloos en soezerig maakt. Daarin is het volmaakt. Dat gold al voor eerdere romans, maar het is of Rosenboom voor deze gelegenheid nog standvastiger is geworden in zijn overtuiging dat wellevendheid vele terreinen bestrijkt, misschien zelfs een vorm van kunst is. Zoete mond getuigt daar in ieder geval van. Pijnlijk genoeg


Arjen Fortuin bespreekt de roman in NRC-Handelsblad op 4 september 2009: Als je er eenmaal op gaat letten, wordt er ongelooflijk veel bewogen in Zoete mond. Maar het gaat nooit ergens naartoe; altijd zie je een eindeloos heen-en-weer. Dat geldt voor de lange voettochten van Jan de Loper, voor de tocht van de walvis (de Rijn tweemaal op en tweemaal af), een hardlooptocht van Rebert. En voor talloze kleinere verplaatsingen: iedereen keert steeds weer op zijn schreden terug in deze roman, vaak onverrichterzake. Bij elke weg hoort een terugweg – een gevaarlijke. De al gememoreerde zeiltocht dient om een boot terug te brengen, een fataal auto-ongeluk vindt op de terugweg plaats, teruglopend van de dierenarts raakt de jonge Rebert in moeilijkheden. Zo blijkt Zoete mond veel vernuftiger gecomponeerd dan je op het eerste gezicht denkt: het gebrek aan richting is niet zomaar een kenmerk van het boek, een zwakheid misschien – het is juist precies waar het Rosenboom om te doen is.
Het is misschien de richtingloosheid die hij zelf heeft ervaren: na zijn Librisprijswinnende boeken Gewassen vlees (1994) en Publieke werken (1999) publiceerde hij in 2003 De nieuwe man, een roman die maar moeilijk tot leven wilde komen – een held kan nu eenmaal maar een beperkt aantal keren ten onder gaan. Rosenboom raakte in een impasse waarbij hij maar moeilijk richting aan zijn dagen kon geven.


Theo Hakkert beoordeelt de roman in De Twentsche Courant Tubantia op 27 augustus 2009 positief : “Over Zoete mond, de nieuwe roman van Thomas Rosenboom, valt veel te zeggen, want de schrijver haalt het nodige overhoop. Zo lijkt hij mogelijk de oplossing voor het wereldenergieprobleem te hebben gevonden – in het gebruik van de kracht van golvend water.[…] Literair gezien is opzienbarend dat Rosenboom de scene die hij in hoofdstuk 1 al heeft beschreven veel verderop, in hoofdstuk 24, nog eens in zijn geheel beschrijft. Deels gebruikt hij daarbij dezelfde dialogen, maar de herneming is toch voornamelijk een nieuwe beschrijving van de ontmoeting die hoofdpersonage Rebert van Buyten heeft met het meisje Lieneke Banda en haar moeder Laura, op wie Van Buyten hevig verliefd wordt.
Des te opmerkelijker omdat Thomas Rosenboom (Doetinchem, 1956) niet de naam heeft dat hij experimenteert. Zijn faam is gestoeld op het realisme van zijn grootse boeken, Publieke werken en Gewassen vlees voorop, waarin hij uitgebreide beschrijvingen in somtijds ouderwetse taal niet schuwt.[….] Hij kan zich de rust onder andere permitteren omdat hij, zo uit de losse pols, een scenario voor een van de eerste Amerikaanse reclamefilmpjes heeft geschreven. Prachtig hoe Rosenboom dit soort modieuze toevalligheden een plek weet te geven in de roman. Het lijkt niet alleen vergezocht, het ís vergezocht. Maar binnen het boek werkt het. En passant ontwikkelt Van Buyten – letterlijk outsider van naam – zich tot de eerste jogger.
De schrijver haalt zoals gezegd veel overhoop. Een bonte verzameling hoofdstukken is ons deel. Energie uit golven. De reis van een witte beloega-dolfijn de Rijn en IJssel op en af. Een stormachtige zeiltocht over het IJsselmeer. Het Engelse eiland Fair Isle. De sfeertekening van een rivierdorp in de jaren zestig. Haast naturalistische beschrijvingen van de goede werken die een dierenarts moet verrichten. De research voor dit boek moet intensief en veelomvattend zijn geweest.
Maar het mooist is dat ene hoofdstuk van zeven pagina’s waarin Rosenboom het dorp Angelen beschrijft, hoe het er ligt - achter de dijk en dus niet echt aan het water. Het proza deint hier als de Rijn op een lome lentedag. Weergaloos mooi van taal. Een rijk boek, een steenrijk boek.
Op www.recensieweb.nl staat een interview met de auteur over dit boek.
Hieronder tref je de link aan naar dat interview.
http://www.recensieweb.nl/interview/2963/Een+alleraardigste+buitenbeen.html

Over de schrijver en eerder gepubliceerde werk
Bron: website auteur
Thomas Rosenboom (Doetinchem, 1956) groeide op in Arnhem. Hij ging naar Nijmegen om psychologie te studeren, maar na drie jaar hield hij daarmee op. Zijn studie Nederlands in Amsterdam rondde hij vervolgens helemaal af.
In 1983 debuteerde hij als schrijver met de verhalenbundel De mensen thuis, en al snel volgde de psychologische thriller Vriend van verdienste. Zijn grote doorbraak kwam met de imposante roman Gewassen vlees (1994), waarvoor hij de Libris Literatuur Prijs ontving. Hij had meer dan zeven jaar aan de roman gewerkt, en vijf werkjaren later publiceerde hij Publieke werken (1999) – en opnieuw won hij daar de Libris Literatuur Prijs mee. Het is een unicum, want tot op de dag van vandaag heeft geen enkele andere schrijver die prijs tweemaal ontvangen.
In 2003 verscheen zijn roman De nieuwe man (2003), die genomineerd werd voor de AKO Literatuurprijs en de NS Publieksprijs. Na het Boekenweekgeschenk Spitzen, het pamflet Denkend aan Holland en de verhalenbundel Hoog aan de wind verscheen eind augustus 2009 zijn langverwachte nieuwe roman: Zoete mond.
Rosenbooms boeken worden vertaald in Duitsland, Frankrijk, Denemarken, Spanje, Hongarije en Slowakije.

Boekenquiz 12 vragen

Nieuw! Open vragen worden nagekeken door AI
Wat is er gebeurd met de dolfijn in de proloog van Zoete mond?
Met wie woont Rebert van Buyten samen tijdens zijn studententijd in Arnhem?
Wat gebeurt er met de goudvis die Lieneke op haar verjaardag krijgt?
Bij wie loopt Rebert stage tijdens zijn studie in Utrecht?
Wie is Jan de Loper?
Wie trouwt Rebert na zijn afstuderen?
Wat gebeurt er tijdens de zeiltocht over het IJsselmeer?
Wat gebeurt er met Tine, Josje en Lonnie?
Waarom durft Tine niet zo goed auto te rijden?
Wie vraagt of Tine de boot wil helpen terugzeilen?
Wat geeft Diederik aan Rebert als cadeau voor zijn huwelijk?
Wie is de hoofdpersoon in het verhaal 'Zoete mond'?

REACTIES

F.

F.

In het verslag staat dat Rebert en Tine op huwelijksreis gaan naar Fair Isle, maar ze gaan een weekje naar Parijs. Later gaat Rebert alleen, omdat ze daarnaar toe op vakantie wilden naar dit eiland.

14 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.