H10 geld en geldschepping

Beoordeling 3
Foto van een scholier
  • Begrippenlijst door een scholier
  • 5e klas vwo | 775 woorden
  • 8 juni 2013
  • 2 keer beoordeeld
Cijfer 3
2 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Ontdek de veelzijdigheid van Scheikunde!

In de bachelor Scheikunde in Amsterdam bestudeer je alle richtingen van de chemie om bestaande processen, producten en materialen te verbeteren en nieuwe te ontwerpen. Van moleculen tot duurzaamheid, jij maakt het verschil! Ervaar zelf hoe het is om in Amsterdam Scheikunde te studeren en kom op 10 april Proefstuderen!

Lees meer en kom Proefstuderen!

Begrippenlijst economie hoofdstuk 10

10.1 geld

Transactie kosten – moeite (in geld en/of tijd) die iemand moet doen om informatie te krijgen over de prijs van goederen die hij eventueel wil kopen

Ongedifferentieerde koopkracht – met geld kun je de vraag naar alle goederen uitoefenen en je kan er overal mee terecht

Rekeneenheid – geld als rekeneenheid zorgt ervoor dat de verhouding tussen goederen met een verschillende waarde duidelijk wordt

Oppotmiddel – geld tijdelijk opslaan om later iets te kopen

10.2 de geschiedenis van het geld

Nominale waarde – waarde die op het geld staat

Intrinsieke waarde – waarde aan goud of zilver dat een munt bevat

Wet van Gresham – 'bad money always drives out good money' → munten met de laagste intrinsieke waarde worden gebruikt (die nam af door 'snoeien')

10.3 geldstelstels vroeger en nu

Goudenmuntenstandaard – gouden munten als betaalmiddel in omloop

Goudkernstandaard – goudvoorraad ligt bij de bank, en de briefjes in omloop dekken het goud. Briefjes kunnen ingeleverd worden voor een vaste hoeveelheid goud.

Papieren standaard – je kan geen bankbiljetten meer inwisselen tegen goud, vaste verhouding tussen hoeveelheid goud en munten is verbroken

Deviezen – internationale aanvaardbare betaalmiddelen (dollar, euro enz.)

10.4 het betalingsverkeer vandaag

Chartaal geld – munten en bankbiljetten

Giraal geld – rekening-couranttegoeden (betalen d.m.v. pinnen en internetbankieren)

Rekening-couranttegoeden – bank-of giro rekeningen

10.6 samenstelling van de geldhoeveelheid

Maatschappelijke geldhoeveelheid – totale hoeveelheid chartaal en giraal geld in handen van het publiek (consumenten en ondernemingen m.u.v. van geldscheppende instellingen)

Geldscheppende instellingen – alle instellingen die maatschappelijke geldhoeveelheden vergroten/verkleinen

Substitutie – omzetting chartaal → giraal of andersom

10.7 geldschepping en geldvernietiging

Geldschepping – de maatschappelijke geldhoeveelheid wordt groter (rekening-courant neemt toe en kas van de bank blijft gelijk)

Geldvernietiging – de maatschappelijke geldhoeveelheid wordt kleiner

Kredietverlening – een geldlening in de vorm van geldschepping

Wederzijdse schuldaanvaarding – (kredietverlening)

Primaire bank – geldscheppende bank

Secundaire bankniet-geldscheppende bank (bv. hypotheken)

Transformatie – niet-geld → geld en omgekeerd

10.8 monetaire aggregaten

Aggregaten – totalen

10.9 actieve en inactieve kassen

Actieve kas – transactiekas, bestemd voor betalingen (transaactiemotief)

Inactieve kas – geld wat niet voor transacties wordt gebruikt (voorzorgsmotief en speculatiemotief)

Transactie motief – geld om transacties mee te betalen

Voorzorgsmotief – consumenten en ondernemingen houden geld achter de hand met het oog op onvoorziene gebeurtenissen

Speculatiemotief – als beleggers een rentestijging en dus een koersdaling van obligaties verwachten, zullen zij wachten met beleggen en hun geld in kas bewaren

Oppotting – actieve kas → inactieve kas

Ontpotting – inactieve kas → actieve kas

Omloopsnelheid – het aantal keren dat een euro van hand tot hand gaat

10.10 de verkeersvergelijking van Fisher

Geldstroom – omloopsnelheid x geld dat in omloop is

Goederenstroom – is gelijk aan de waarde van het verhandelde goederenpakket → gemiddelde waarde van transacties x omvang handelsverkeer

10.11 monetaire inflatie en deflatie

Monetaire inflatie – MV neemt toe

Monetair evenwicht – als geldstroom MV niet verandert

Prijsinflatie – in de vergelijking MV=PT stijgt MV. PT moet dan ook stijgen. Als T (productiecapaciteit) niet verder kan toenemen moet P stijgen en ontstaat er prijsinflatie

Monetaristen - economen die de rol van het geld in de economie erg belangrijk vinden

Geldgroeiregel – in elk land moet de centrale bank ervoor zorgen dat de geldhoeveelheid per jaar met niet meer dan een vast laag percentage groeit

Krapgeldpolitiek – Alleen een reële toename van het BBP , een reële productieverhoging dus, die wordt veroorzaakt door de groei van de productiecapaciteit. Er komt dan alleen geld in omloop dat de reële verhogingen financiert (de stijging van T)

Hyperinflatie – landen waar de prijzen meer dan verdubbelen doordat de groei van de geldhoeveelheid onvoldoende in de hand gehouden wordt

10.12 de waarde van het geld

Reële rente – geeft aan hoeveel rente je overhoudt als rekening gehouden wordt met de prijsstijging

Shoe leather costs – bijkomende kosten ter gevolge van inflatie

10.13 oorzaken van inflatie en deflatie

Kosteninflatie – de prijzen stijgen doordat de productiekosten omhoog gaan

Bestedingsinflatie – de prijzen stijgen doordat de consumenten meer goederen willen kopen dan de producenten kunnen maken

Geïmporteerde inflatie – bron van prijsstijgingen zit in het buitenland (ingevoerde grondstoffen of eindproducten zijn duurder geworden)

Loon-prijsspiraal – lonen en prijzen stijgen om de beurt omdat ondernemingen en werknemers vooruit lopen op toekomstige prijsstijgingen

Stagflatie – combinatie van werkloosheid en inflatie waarbij economische groei stagneert

Prijsdeflatie – prijzen dalen door laagconjuctuur of onderbesteding als er sprake is van grote conjuncturele werkloosheid

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.