H1 - 4: Nederland handelsland

Beoordeling 9.3
Foto van een scholier
  • Begrippenlijst door een scholier
  • 4e klas havo | 834 woorden
  • 2 september 2008
  • 6 keer beoordeeld
Cijfer 9.3
6 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Ontdek de veelzijdigheid van Scheikunde!

In de bachelor Scheikunde in Amsterdam bestudeer je alle richtingen van de chemie om bestaande processen, producten en materialen te verbeteren en nieuwe te ontwerpen. Van moleculen tot duurzaamheid, jij maakt het verschil! Ervaar zelf hoe het is om in Amsterdam Scheikunde te studeren en kom op 10 april Proefstuderen!

Lees meer en kom Proefstuderen!
Hoofdstuk 1

• Aanbod van arbeid: alle mensen tussen de 15 & 65 die willen, kunnen en mogen werken.
• Aanzuigeffect: de beroepsbevolking groeit omdat de kans op een baan groter wordt.
• Abstracte markt: het geheel van kracht en aanbod die de hoogte van de prijs bepalen
• Arbeidsjaren: wat 1 arbeidskracht kan produceren in 1 jaar als hij volledig werkt.
• Arbeidsmarkt: geheel van krachten van vraag en aanbod naar arbeid die de prijs van het loon bepaalt.
• Beroepsbevolking: alle mensen die willen, kunnen en mogen werken tussen de 15 & 65 jaar
• Beroepsgeschikte bevolking: de beroepsbevolking en de niet beroepsbevolking samen
• Centrum voor werk & inkomen: instelling van de overheid waar werklozen staan ingeschreven voor een baan en werknemers geven daar banen op.
• Concrete markt: plek waar vragers naar en aanbieders van een bepaald product elkaar ontmoeten
• Deelnemingspercentage: beroepsbevolking: beroepsgeschikte bevolking x 100%
• Demografische factoren: factoren die omvang van de bevolking en samenstelling van de bevolking weergeeft.
• Deeltijdwerk: geen volledige baan, dan werk je minder dan 36 uur per week
• Krappe arbeidsmarkt: als de vraag naar arbeid groter is dan het aanbod.
• Niet-beroepsbevolking: mensen tussen de 15 & 65 jaar die niet werken en niet op zoek zijn naar werk.
• Ontmoedigingseffect: beroepsbevolking daalt omdat de kans op een baan minder is.
• Participatiegraad: beroepsbevolking: beroepsgeschiktebevolking x 100%
• Potentiële beroepsbevolking: hetzelfde als beroepsgeschikte bevolking
• Ruime arbeidsmarkt: wanneer de vraag kleiner is dan het aanbod.
• Vacatures: openstaande banen, banen die niet vervuld zijn.
• Vraag naar arbeid: vraag naar werknemers, arbeidskracht van zelfstandigen en openstaande vacatures.
• Werkgelegenheid: hoeveel mensen daadwerkelijk arbeid verrichten (werknemers & zelfstandigen).
• Werkloze beroepsbevolking: geregistreerde werklozen.
• Werkzame beroepsbevolking: zelfstandigen & ondernemers
• Werknemers: mensen met een baan.
• Zelfstandigen: mensen met een eigen bedrijf en de meewerkende gezinsleden.

Hoofdstuk 3

• Afzet: aantal verkochte artikelen.
• Arbeidsproductiviteit: productie per mens per tijdseenheid.
• Arbeidstijd: hoeveel uur je werkt.
• Arbeidstijdverkorting: ATV, je gaat minder werken.
• Automatisering: machine bepaalt het tempo. (vervangt arbeid)
• Bestedingen: wat je uitgeeft.
• Concurrentiepositie t.o.v. het buitenland: hoe sta je tegenover het buitenland met je productenprijs.
• Incidentiële loonstijging: is voor 1 persoon, loonstijging door promotie.
• Inflatie: de prijzen stijgen. (stijging van het algemeen prijsniveau)
• Initiële loonstijging: vergoeding boven prijscompensatie.
• Koopkracht: wat je kunt kopen van je salaris.
• Loonkosten: totale personeelskosten.
• Loonkosten per (eenheid)product: loonkosten delen door het aantal, dat je hebt gemaakt.
• Mechanisering: je bepaald zelf het tempo.
• Omzet: prijs per stuk x afzet
• Prijscompensatie: loonstijging die procentueel gelijk is aan de inflatie.
• Resultatenrekeningen: overzicht van omzet en de kosten van die omzet en dat geeft de winst of het verlies.
• Substitutie van arbeid door kapitaalgoederen: mensen worden vervangen door machines.
• Winst: het verschil tussen de omzet en de kosten.

Hoofdstuk 4

• Arbeidsintensiever: de voornaamste productiefactor is arbeid.
• Arbeidsproductiviteit: totale productie: werkgelegenheid
• Arbeidskosten: kosten van de productiefactor arbeid
• Breedte-investering: een investering in dezelfde soort machines waarbij de arbeidsproductiviteit gelijk blijft.
• Consumeren: nuttigen van producten
• Diepte-investering: arbeid vervangen door kapitaal.
• Investeren: ergens geld in stoppen.
• Kapitaal: alle machines bij elkaar.
• Kapitaalgoederen: individuele machine
• Kapitaalintensiever: de voornaamste productiefactor is kapitaal.
• Kapitaalkosten: kosten van de machines; afschrijvingskosten.
• Loonkosten: zie arbeidskosten.
• Multinationals: internationaal opererende ondernemingen zoals Shell.
• Productiecapaciteit: aantal producten dat geproduceerd kan worden per tijdseenheid.
• Schaalvoordelen: kosten worden verlaagd door het produceren met veel machines.
• Verplaatsing van productie naar het buitenland: komt door lagere loonkosten.

Hoofdstuk 1

• Import: goederen en diensten die uit het buitenland verhandeld worden.
• Export: verhandelde goederen en diensten naar het buitenland.
• Uitvoersaldo: uitvoer – invoer
• Exportoverschot: er is meer geïmporteerd dat geëxporteerd.
• Technische ontwikkeling: ontwikkelingsniveau van de productiecapaciteit.
• Loonkosten per product: loonkosten; aantal producten.
• Kwaliteit van de producten: duurzaamheid van het product.
• Exportquote: export: nationaal inkomen.
• Importquote: import: nationaal inkomen.
• Betalingsbalans: ontvangsten en uitgaven van een land met het buitenland gedurende een periode.
• Ontvangsten uit het buitenland: opbrengsten van de export van goederen en diensten.
• Uitgaven uit het buitenland: de kosten van de import van goederen en diensten.
• Lopende rekening: de ontvangsten en uitgaven met het buitenland betreffende goederen, diensten en inkomens.
• Kapitaalrekening: overzicht van ontvangen leningen en beleggingen van het buitenland en uitgaven van verstrekte beleggingen en leningen aan het buitenland.
• Materieel saldo: totale verschil van lopende rekening en kapitaal rekening.
• Voorraad internationale betaalmiddelen: geld wat je overal kan besteden; vreemde valuta.
• Loonmachtiging: de lonen langzaam laten stijgen voor betere concurrentiepositie.
• Grootschalige productie: veel produceren van eenzelfde product. ( dan krijg je schaalvoordelen)
• Multinationals: bedrijven die meerdere bedrijven over heel de wereld opereren.

Hoofdstuk 2

• Wisselkoers: de prijs van de ene valuta uitgedrukt in die van de andere valuta.
• Valutamarkt: de markt waarop de prijs van de wisselkoersen tot stand komt.
• Depreciatie van de munt: waardedaling van de wisselkoers door vraag+aanbod.
• Appreciatie van de munt: waardestijging van de wisselkoers door vraag + aanbod.
• Valutaspeculatie: aankoop+verkoop van vreemde valuta om winst te maken.
• Vrijhandel: export en import zonder handelsbelemmeringen bijv. geen invoerrechten.
• Protectionisme: bescherming van de eigen economie door handelsbelemmeringen.
• Economische integratie: samenwerking tussen landen waardoor een vrij verkeer van goederen en diensten, kapitaal en arbeid ontstaat.
• Monetaire unie: landen met dezelfde munteenheid.
• Invoerrechten: belasting op ingevoerde goederen en diensten.
• Contingentering en quotering: hoeveelheidbeperking van goederen en diensten per periode.
• Tarifair: handelsbelemmering in geld. (invoerrechten)
• Non-tarifair: handelsbelemmering in hoeveelheden

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.