Wisselcolumnist
Het is vrijdagochtend, 11 uur. Ik lig in bed, te zappen langs de verschillende tv-zenders die mijn oude tv rijk is. Ondanks de kastanjepuree, het parelhoenpootje en ander chique voedsel dat ik de vorige kerstdag heb gegeten, begint mijn maag alweer te knorren. Dus ik sta op, en kleed me aan om beneden te ontbijten. Ik ben net klaar als de deur van mijn slaapkamer open wordt gedaan. Het is mijn vader, met een telefoon in zijn hand. ‘Telefoon voor je’. ‘Dat zie ik zelf ook wel’, mompel ik, geïrriteerd door zijn wakkere gezicht. Ik leg de telefoon tegen mijn oor.
‘Met wie spreek ik?’
‘Met David Heuvelschoon.’
‘Wie?’
‘Met David.’
‘Ken ik niet.
‘Nee, inderdaad. Ik ben een vriend van een klasgenoot van je, van hem heb ik ook je telefoonnummer gekregen.’
‘Welke klasgenoot?’
‘Dat is even niet belangrijk. Ik bel je om je iets te vragen’
‘Welke klasgenoot?’
‘Wil je alsjeblieft even luisteren? Jij bent toch die columnist van scholieren? “Observer”, ofzoiets?’
‘Klopt.’
‘Ik wil je column voor deze week overnemen.’
Dus ik sta in mijn slaapkamer, in de spiegel zie ik een verwarde jongen met haar alle kanten op en halfopen ogen aan een onbekende persoon vragen waarom hij dat wil doen.
‘Ik schrijf ook columns, al een jaar. Deze columns werden tot nu toe alleen maar gepubliceerd op mijn eigen homepage, maar het lijkt me verschrikkelijk leuk om te werken voor scholieren.com.’
‘Scholieren.com heeft al genoeg columnisten.’
‘Dat weet ik, maar ik wil zo graag. Bovendien heb ik een verdomd goed onderwerp. Daarom wilde ik vragen of ik één keer je column over mag nemen.’
‘Waarom vraag je dit niet aan die andere columnist, Tisch?
‘Omdat ik jou beter vindt.’
‘Slijmbal.’
‘Weet ik. Nou, doe je het?’
‘Wat is dat ‘verdomd goede onderwerp’?’
‘Karten.’
‘Je maakt een grapje.’
‘Ik ben bloedserieus. Het is vakantie. Iedereen is naar de bioscoop, gaan dagjes uit, of doen andere dingen. Zoals karten.’
‘Heb je die column al geschreven?’
‘Ja.’
‘Lees maar een paar regels voor.’
Enthousiast begint David zijn column voor te lezen. Over hoe hij voor de eerste keer ging karten, hoe geweldig hij het vond en hoe hij alle anderen voorbij reed. Gedetailleerd vertelt hij hoe hij voor het eerst botste met de rubberen banden aan de zijkant van het circuit, en dat er een vrouw naar hem toekwam om hem glimlachend weer op weg te helpen. Ik waardeer zijn goedwilligheid, maar weet dat ik de column niet helemaal geweldig vind. Ik voel mij als de jury van het tv-programma Idols. De verleiding is groot om de jongen te vertellen dat het er allemaal wel leuk is, maar dat zijn schrijfstijl belabberd is en hij niet moet denken ooit een goede columnist te worden. Maar aangezien ik zelf ook maar een jaar schrijf…
‘En?’
‘Sorry, ik vind het geen goede column.’
‘Oh.’
‘Het was te proberen.’
‘Inderdaad. Wat ga je nu doen?’
‘Ik ga die andere columnist maar eens opbellen. Ik denk dat ik hem toch ietsje beter vindt.’
‘Succes, David.’
‘Dag.’
Gepubliceerd op 30 december 2002