Video
Het is mei 1998, de avond dat er een schooltoneelstuk op wordt gevoerd. Achter de coulissen staat een kleine blonde jongen met zweet op zijn voorhoofd. Zometeen moet hij op, om het publiek op een populair toontje te vertellen over Macbeth. Hij heeft namelijk de rol van verslaggever. Hoewel het natuurlijk geweldig is om vanaf een leeg podium het publiek ‘eventjes’ de nieuwste ontwikkelingen te vertellen rond dit drama van Shakespare, is hij bloednerveus. Als hij even later voor het publiek staat, met de microfoon in zijn hand, merkt hij dat er af en toe om hem wordt gegrinnikt. Als hij normaler had gepraat en de microfoon minder tegen zijn mond had gehouden, had het publiek meer verstaan en zo ook meer gelachen.
Een paar uur voor aanvang van het toneelstuk duwde de regisseuse de jongen een stinkende, groene regenjas in zijn handen. Blijkbaar vond ze dit van de straat geraapte vod beter dan het veel te kleine bruine jasje dat hij eigenlijk zou dragen.
De kans bestond dus dat iemand tijdens het toneelstuk opeens op zou staan om de regenjas op te eisen. Als dat zou gebeuren, zou hij dan nonchalant op het podium blijven staan en diegene negeren? Of zou hij toestaan dat zijn jas uit wordt getrokken, om de rest van het stuk ‘naakt’ voor het publiek te presenteren? Het zou waarschijnlijker zijn als hij, nog altijd glimlachend, wegrent om de rest van de avond het publiek informatie te verstrekken via de intercom.
Dit zijn de dingen waar ik aan moet denken, tijdens het kijken van de video met de registratie van het toneelstuk. De blonde jongen op het podium ben ik. Jezelf terug zien op tv vind ik nooit echt leuk, maar mijn nieuwsgierigheid dwingt me om naar mezelf te kijken. De tafel waarop ik zit wiebelt, en even meen ik mijn evenwicht te verliezen. ‘Kijk uit!’ roept mijn klasgenoot nog, en ik weet net op tijd de tafel weer in balans te brengen. Het zit namelijk zo: tijdens het tv-kijken heb ik de vreemde gewoonte om aan mijn voeten te zitten. Die tic is overgebleven van de kleuterschool. Mijn klasgenoot moet er wel om lachen, ik ga voor de zekerheid maar op een stoel zitten.
‘Je lijkt op Thomas Acda,’ hoor ik het andere klasgenootje waarmee ik de videoband bekijk plotseling zeggen. ‘Oh?’ zeg ik zo verbaasd mogelijk, terwijl ik ondertussen al de vergelijking had gemaakt met een speler van cabaretgroep De Vliegende Panters.
De video is een feest der herkenning. Ik zie mijn opa in het publiek zitten, er zijn fragmenten in het toneelstuk waarvan ik niet wist dat ze bestonden en van andere stukken kan ik de tekst nog feilloos opdreunen. De video is na veertig minuten al afgelopen, in ons geheugen leek het veel langer te duren. Op het einde zie ik een kleine Rob opgelucht op het podium staan, zwaaiend naar het publiek. Achter de coulissen schreeuwen de andere toneelspelers al van opluchting. Het toneelstuk is afgelopen.
Gepubliceerd op 27 januari 2003