Twee grote steden

Rotterdam Je bent een mooi meisje dat in de herfstvakantie haar neef gaat bezoeken in Rotterdam. Omdat je niet alleen wilde gaan, vroeg je een even mooie vriendin mee. Samen met Joël loop jij, Sam, op de Lijnbaan etalages te bekijken. Af en toe komen Antilianen of Marokkanen op je af om te vertellen dat je er wel heel leuk uitziet vandaag. En of ze toevallig je nummer mogen. En waarom dan niet. En of je al een vriend hebt. Niet? Zonde. Wel? Ook zonde. In de verte staat je neef. Hij wacht voor de McDonalds, is verwikkeld in een gesprek met een groepje dik opgemaakte delletjes van 13 of misschien 14 jaar. De meisjes steunen op plateauzolen en zwieren sierlijk met hun tijgermotief-handtasjes. Je neef ziet jou en zwaait. De delletjes wandelen naar de overkant van de straat. Jullie lopen langs de McDonalds en gaan op het balkon zitten van de Burgerking. Het is koud, niets voor niets herfst. Een paar gezellige uren later stap jij samen met Joël de metro in. Iedereen weet dat je in de metro liefst geen oogcontact maakt, vooral ’s avonds niet. Desondanks bekijkt Joël het groepje delletjes van voor de McDonalds met een nieuwsgierige blik. Op hen, twee junks, een oma en een slapende zwerver na zit er niemand in dit deel van de metro. Plotseling springt een van de delletjes op en rent op Joël af. Waar the fuck ze naar het kijken is. Of ze op haar bek wil worden geslagen. Je springt tussenbeide en een ander delletje roept dat dit tussen hen en die hoer is en dat jij moet oprotten. Je weet een vechtpartij te voorkomen en als de metro stopt, sleur je Joël eruit. Niet de juiste halte, maar dat geeft niet. Als je in de bus zit, begint naast je een kerel keihard zijn kop tegen zijn stoel te beuken. Alsof het een boksbal is. Als hij klaar is, begint hij hevig te trillen. Je denkt dat hij een epileptische aanval krijgt, of zo. In werkelijkheid staat hij strak van de pillen. Thuis grap je met enige ernst tegen je moeder dat je een kogelvrijvest wilt voor Kerstmis. Omdat uiteindelijk alle rages overwaaien uit Amerika. Amsterdam Renée – mijn chaperonne voor deze dag – en ik lopen door de straten van Amsterdam. Een oude man, voor het oog gekleed in slechts een lange, beige regenjas, gaat ons voor naar het Waterlooplein. Zijn tred is stroef maar levend. Hij kijkt onrustig om zich heen en schreeuwt om de twintig meter: “Zoals u ziet! Zoals u ziet!” Hij is gek. Zoals u leest. Door de drukte verliezen we hem snel uit het oog. Zijn schreeuw galmt steeds zachter, in de verte, dan verder. Het is overvol op het Waterlooplein; de kraampjes trekken veel bezoekers. Ik hoor vreemde talen en af en toe ook Nederlands. Heerlijk; vreemde talen laten je beseffen dat je veel mist. Een Senegalese koopman vertelt mij in het Afrikaans over zijn waar. Ik knik en lach. Hij lacht. Die lach maakt ons onbegrip duidelijk. Terwijl Renée verwoede pogingen onderneemt een felgroene coltrui en gekleurde beenwarmers te vinden, word ik aangesproken door een vriendelijke Amerikaan. Hij draagt zijn haar en baard zoals Rembrandt ze droeg en completeert zijn ‘look’ met een hippe zonnebril. Hij moet naar Uilenstede en ik weet niet waar dat ligt. Een excentrieke dame met groen haar, een vale blouse vol buttons en een leren broek schiet te hulp. Ik bekijk de twee en bedenk dat beiden in het gemiddelde dorp oneindig zouden worden nagekeken. Hier niet. Iedereen is zichzelf of is vrij zichzelf juist niet te zijn. Ik besluit terstond dat ik hier wil studeren. Dus moet ik kiezen. Wil ik naar de UVA of naar de VU? Die laatste hebben we vanochtend bezocht. Een voorlichtingsdag. Het gebouw is oud en zeker toe aan een grondige renovatie. Maar de universiteit heeft een goede reputatie en de voorlichtingsronden waren boeiend. Vooral geschiedenis – wat ik misschien ga studeren – en politicologie – wat Renée gaat volgen. Binnenkort ga ik een dag naar de UVA, kijken of dat mijn twijfels kan wegnemen. Als we teruglopen naar het Centraal Station, vraag ik aan Renée: “Wie kan mij in hemelsnaam aan een kamer helpen in Amsterdam?” Ze schudt met haar hoofd en antwoordt: “dat wordt moeilijk Roman, heel moeilijk”. Gepubliceerd op 12 november 2002