SimonDOETCanada - The day it rained crabclaws

Wilde nacht uit. Veel vrienden. Veel dansen. Veel lachen. Wat een groep, wat een mensen, wat een liefde. Slecht slapen. In twee slaapzakken, in een koude auto, op een te korte stoel, met te weinig beenruimte. Het licht van een felle lantaarnpaal schijnt naar binnen. Ik word wakker. Mijn benen slapen. Ik word wakker. Ernstig nek en rugpijn. Ik word wakker. Ian klopt op het raam en meld dat het tijd wordt om op te staan. Ik word wakker en blijf wakker.
Rustig kleed ik mij aan. Manoeuvrerend in een te kleine auto. Ramen open, frisse lucht. Deo onder mijn oksels.Ik pak mijn tas in en sleur hem uit de auto. Mijn wereldvrienden (een Spanjaard, een Engelsman, een Canadees, een Braziliaanse en een Duitser) proppen hun tassen en zichzelf in de auto. Fotootjes gemaakt, groetjes gezegd en adresjes uitgewisseld. Mi casa, sou casa. Tijd voor afscheid, om wederom een aantal vrienden mijn leven uit te zwaaien. Dag Roc, de amper Engels sprekende, 28-jarige man, waarmee ik lachen kan (kon). Dag Hendrick, kok, wijnkenner en biergenieter. Dag Ian, dyslectische dwerg, die onnavolgbaar is (was) als het om flauwe humor en domme grappen gaat. Zwaai, zwaai. Doeg. Uit mijn leven.
Iedereen weg naar Banff, Seattle, Victoria of Nanaimo en ik blijf achter in Tofino. Waarom ook alweer?
Met een tekort aan slaap en te weinig mensen om tegen aan te hangen, groeit de twijfel rondom mijn besluit. Ik heb hier wel een kamer, maar kan de huisbaas niet bereiken en dus niet intrekken. Ik heb hier wel een baan, maar voor slechts 12 uur per week. Ik heb hier nog wel wat vrienden, maar die zijn op doortocht en dus snel weg. Te veel dingen om over te denken en uit vermoeidheid vergeet ik stomweg iets te eten. Tijd om in ieder geval een slaapplaats voor aankomende nacht te regelen. Telefoontje hier, telefoontje daar, Moneyorder hier, tas verplaatsen van hier naar daar. Moeizame gesprekken met toekomstige huisgenoten.
Loop mijn nieuwe huis binnen, tering wat een stank. Wat een tyfuszooi in de keuken en wat een kippenhok: mijn kamer. Eigenlijk is mijn kamer het woord kippenhok nog niet eens waard, een kip zou door de giftige verfluchten na drie diepe zuchten (1. dit is geen bed, maar twee rottende matrassen op een stapel, 2. het enige meubelstuk is een ranzig houten kastje, of hoe je het ook wil noemen. Rottend stuk hout bijvoorbeeld, 3. geen slot op de deur? Geen slot op het raam? Weg paspoort, weg vliegticket, weg discman) het loodje leggen.
Rust heb ik nog steeds niet. Schyzophrene huisgenoot wandelt door het huis. Bij elke ademhaling heb ik het idee dat ik me vergiftig. Als ik in slaap val ben ik zeker dood. Uch uch. Nog steeds vergeet ik wat te eten. Ik breek. Ik huil. Tranen lopen over mijn wangen en ik krijs: 'ik vind het hier niet leuk. Ik wil hier weg. IK WIL NAAR HUIS.' Het hardop uitspreken van die laatste zin breekt me verder, beseffende dat ik toegeef aan het gevoel dat ik het niet meer in mijn eentje aan kan. Beseffende dat ik in een behoorlijke vicieuze cirkel terecht kom, als iemand mijn niet snel helpt.
In een wanhopige staat van depressie besluit ik een end te gaan lopen. Rugzak op mijn rug, zonnebril over mijn betraande ogen en daar gaan we. Verveeld, verdwaald loop ik over straat. Ik staar in de zon en denk aan wat mijn vader mij vertelde: de zon geeft energie, de zon is het licht en leidt de weg. De zon maakt duistere zaken zichtbaar. Een druppel hoop stroomt door mijn lichaam. Mensen lopen over straat, auto's rijden langs mij, niks dringt tot mij door. Ik loop door een wazige wereld. Totdat, uit het niets, een auto naast mij stopt. Er bestaat toch nog een God. Het is Sonia, een lieve vrouw die ik ontmoette in het hostel en gisteravond ook mee uit was. 'I'm going to the beach to get some sleep and jog. Want to come?'
Eenmaal op het strand barst ik nogmaals in huilen uit, maar nu heb ik iemand om mijn verdriet mee te delen. Ze is lief. We zoeken een mooi plekje op het strand en vallen in slaap. De broodnodige rust.
Als ik weer wakker word, maak ik ons wat boterhammetjes, en bij de eerste hap realiseer ik mij hoeveel honger ik wel niet had. Het gaat alweer een stukje beter.
Genoeg van het strand, we besluiten terug te wandelen. Rustig lopend over het strand, neuzend tussen de schelpen, wind door mijn haren. Ik grijp een krabbenpoot uit het zand en gooi hem in de lucht. Sonia zegt: 'the day it rained crabclaws.' En ik denk: 'inderdaad, vandaag vielen alles zes de poten van een krab uit de lucht en hakten op mijn rug in. Nog eventjes en ik ben dood.'
Al gaat het al wat beter, Sonia de Engel, beseft dat haar taak nog niet volbracht is en neemt me mee uit eten. Veel lachen en even mijn gedachten ergens anders. Rijdend van het restaurant naar huis, neemt ze uit het niets een afslag, stopt de auto, doet de lichten uit en stapt uit. Het is een heldere nacht en de sterren zijn prachtig als nooit tevoren. Ik omhels Sonia en zij wrijft mijn armen en aait mijn rug. Ze vertelt me hoe mooi Tofino eigenlijk is en plots herinner ik me weer waarom ik hier wilde blijven: een rustig dorpje temidden van een tropisch regenwoud, omcirkeld door stranden en een eindeloze zee. Thuis afgezet, geef ik Sonia een kus en loop ik tevreden en gelukkig mijn huis binnen. In mijn kamer, op mijn matras, in slaap.
Sonia stapt in haar auto en vliegt terug naar de hemel. Zes krabbenpoten liggen op haar achterbank.
Gepubliceerd op 15 april 2001