Mandarijnenpartjes

Het is zondagmiddag, één uur. Op een grasveld dartelt een bruine hond vrolijk heen en weer, haar baasje negerend. Dat baasje ben ik. Vanaf het moment dat ik haar riem losmaak, ziet mijn hond niets anders dan een groot grasveld met allemaal interessante dingetjes waar ze minstens twee keer aan moet snuffelen. Ze ziet een stok liggen, en pakt die op met haar tandjes. Met een tevreden blik paradeert ze over het veld. Het is niet zo druk in het park, er wandelen wat mensen en een enkeling leest een boek. De stilte in het park wordt verbroken door mijn stem. Het grasveld is niet zo schoon, overal zijn blikjes, snoeppapiertjes en beschimmelde stukken brood over het veld gedrapeerd. Binnen een paar minuten weet iedereen dat mijn hond Bruni heet, ze heel lief is, en een baasje heeft die ‘foei’ schijnbaar een mooi woord vindt. Mijn stem begint bijna schor te worden, de oplossing is al gauw gevonden. Er heeft zich namelijk een hondje aangediend, een klein beest met zwart/witte vlekken. De twee honden likken elkaar af, spartelen op de grond en rennen rondjes op het veld, springend over het afval dat er ligt. ‘Hallo.’ Terwijl ik naar het hondje sta te kijken heb ik niet door dat er een meter verder een man is gaan staan, kennelijk de eigenaar van de hond. Ik kijk de man aan. Ik schat hem een jaar of dertig, hij heeft een ongeschoren gezicht en blauwe ogen. Het kan een geleerde zijn, maar net zo goed een timmerman. Ondanks mijn nieuwsgierigheid naar de vreemde man zeg ik ‘Hallo’ terug, en ga ik weer door met het kijken naar het spelende stel op het veld. Vanuit mijn ooghoeken zie ik dat de man aanstalten maakt om iets te zeggen, om hem te ontmoedigen duw ik mijn wenkbrauwen naar beneden zodat ik norser kijk. Het is zondag, ik ben moe, ik ben chagrijnig, Geen gesprek, nu. ‘Kijk daar eens!’ Ik kijk om, en zie dat op het bankje achter ons een aantal mandarijnenpartjes aan elkaar gespietst zijn door een lange cocktailprikker. ‘Goh, zeg ik. Mandarijnenpartjes.’ ‘Heb je honger?’ ‘Nee’, zeg ik, glimlachend. Ik ga ervan uit dat de man een grapje maakt. De man loopt naar het bankje toe en begint de mandarijnenpartjes op te eten. Ook de zwart/witte hond van het veld komt naar het bankje toe, en krijgt wat mandarijnenpartjes toegeworpen van haar baasje. Van dichtbij zie ik dat de hond ongewassen is, en de man een penetrante geur verspreid. Geen geleerde, geen timmerman. Het is een zwerver, met zijn zwervershond. Ik loop weg, en laat een Euro achter op het bankje. Verbaasd kijk ik nog een paar keer om, maar even later ben ik al weer druk bezig met mijn hond. Ze heeft ontdekt dat er achter een boom een pak rijst is leeggegooid. Gepubliceerd op 11 februari 2003