Jabbahw0ck - Conciërge-humor

Door Rob
Hoera! Wij zitten op school, en ondanks dat het zonnetje buiten haar warme straaltjes over het schoolplein laat lopen zitten wij op met kauwgom-beplakte stoeltjes in een zwetend lokaal. Onze hersentrosjes worden gemarteld door een onschuldig lijkend proefwerkblaadje, waar wij zinnen op schrijven die dienen als mogelijke antwoorden op onmogelijke vragen. Natuurlijk kijkt de surveillerende leraar met haviksogen het klaslokaal rond, elke leerling met wijze ogen observerend. In al zijn verveling staat hij op, en schrijft met een authentiek onleesbaar leraren-handschrift “Spieken en speaken mag niet” op het bord. Met een betoverende glimlach keert hij zich weer naar de klas, die zich diep zuchtend terugkeert naar het proefwerkblaadje. Elke minuut kijk ik op naar de grijze Ikea-klok in het lokaal, en elke minuut keer ik met hyperventilerende ademhaling terug naar het witte blaadje wat natuurlijk nog lang niet vol genoeg is. Wanneer ik eindelijk klaar ben met deze mentale inspanning voel ik een opkomende hoofdpijn, en loop ik naar de Surveillant om me te ontdoen van het blad wat me de afgelopen twee lesuren in zijn macht heeft gehouden. Met een glimlach bedankt hij me voor het blaadje, en ondanks het feit dat ik ongelofelijk suf ben wil ik hem terugbedanken. Ik wil hem bedanken voor zijn stralende aanwezigheid in een leslokaal wat allesbehalve identiek is aan andere surveillerende leraren die gedwongen ronde brilletjes dragen, omdat ze anders zo dom overkomen. En daar waar andere surveillerende leraren met een verveelde blik de achterste rijen in de gaten houden, omdat daarboven de klok hangt (en ze dus zien hoelang deze vervelende activiteit nog duurt), daar kijkt hij met een speelse blik stralend van creativiteit naar alle tafels in alle hoeken. Ik zou zeggen hoe blij ik met hem ben. En dat ik het daarom zo jammer vind dat zijn uitstekende rotte tanden, invallende groene oogjes en autoritair alle kanten uitstekende haarplukjes het uiterlijk van het mannetje zo verpesten. Terwijl ik de gangen van de school betreed, probeer ik zo onopvallend en zo haastig mogelijk langs proefwerk-evaluerende groepjes te komen. Verspilde moeite, aangezien mijn vluchtige aanwezigheid kennelijk de drang heeft opgroepen om te vragen hoe ik het proefwerk heb gemaakt. Voor ik ook maar een poging kan doen om mijn lippen te openen en er een antwoord uit te prevelen, wordt al het geluid uit de gangen volledig overstemd door een daverend gelach. Nieuwsgierig als ik ben, loop ik weg om te kijken waar het vandaan komt, versufte leerlingen achterlatend. Eenmaal in de hal aangekomen bekijk ik het schouwspel dat zich voor mijn ogen afspeelt. De conciërges, waarvan de school in haar hebberigheid maar liefst drie exemplaren van heeft aangeschaft, zitten in het Conciërgehok amusante grapjes aan elkaar te vertellen. Met glimmende pretoogjes kijken ze rond in een ruimte waar niets staat behalve kopieerapparaten, en schermen van videobewaking waar nooit op gekeken wordt en het aantal fietsdiefstallen allesbehalve terug heeft gedrongen. “En toen zei ik: “Kun je rekenen? Reken maar nergens op!” kakelt een van de drie op een olijk toontje boven het gegiechel van de anderen uit, wat als gevolg heeft dat voor de tweede keer het speeksel in de rondte vliegt onder een daverend gebrul van het lachen. Bevoorrecht als ik was, begon in mijn aanwezigheid een conciërge nog een grap te vertellen. “ Een paar dagen geleden kwam er een meisje naar me toe om te vragen of Henk er was, ze wilde namelijk wat gekopieerd hebben.” Henk, ook een in dienst genomen conciërge, begint alvast te gniffelen. “Ze zag er nogal wanhopig uit, en ook al kon ik –zo goed als ik ben- mijn plicht vervullen door te zeggen dat ik ook wel even wat kon kopiëren, verwees ik in al mijn onschuldigheid het arme wezentje naar lokaal 210 op de bovenste verdieping. Daar zou Henk namelijk bezig zijn met het repareren van een kapot raam. Het bruggertje is een uur bezig geweest om de trappen op te hobbelen en met veel moeite het lokaal te vinden. En dat allemaal terwijl Henk daar helemaal niet was!” Ik hoef niet te zeggen dat dit soort humor ook mij een beetje teveel was. Terwijl er vanuit de achtergrond nog een ordinair mopje verteld werd, loop ik weg. Mijn jas trek ik met flinke rukken uit het gifgroene kluisje, en met een snelle beweging gooi ik mijn tas op mijn rug met als enig doel het schoolgebouw te verlaten. Echt warm schijnt het zonnetje niet meer, en terwijl ik met afgunst bedenk dat ik nog een hoop leerwerk voor morgen in mijn hoofd moet zien te persen, loop ik naar huis toe. En de conciërges lachten nog lang en gelukkig. Vooral om zichzelf. Gepubliceerd op 25 maart 2002