Indianenhanden
Zwarte en witte wol, door indianenhanden kundig tot mantel gevlochten. Iemand zei: “flink voor lul, met zo’n jas!”. Ik dacht: “Ja, in de provincie”.
Een randfiguur had mijn échte jas meegenomen. Die hing maandagmorgen nog keurig als altijd in de garderobe van school. Dat kon, omdat hij niet duur was. ’s Middags bleek mijn jas echter nergens te bekennen. De conciërge oordeelde dat hij door een ander was meegenomen. Ik was daar mooi klaar mee, want buiten was het min vier. In de bus keek iedereen me aan.
De volgende morgen keurde ik de alternatieven. Er waren een dunne zomerjas, een te kleine winterjas, een vieze, op scrupules stuitende bontjas én de poncho van mijn vader. Ik trok hem aan en mijn broertje riep dat ik gepest zou worden en dat hij daarmee zou beginnen. Onderweg naar school voelde ik me klein. Iedereen keek en lachte, vooral de pubers in de bus. Op school dacht ik mezelf stoer: “kijk mij eens met mijn poncho… ik durf dat!” Schichtig trok ik hem uit en moffelde hem weg in mijn kluisje.
’s Middags moest hij er echter uit. Ik ging de stad in; een nieuwe jas kopen. Bedrukt ging ik op pad. In het begin timide, waardoor ik in de verleiding kwam de eerste jas op mijn pad te kopen. Het tolerante Heerlen bewees zijn naam en na drie passanten begon ik de meewarige blikken leuk te vinden. Allen keken verbaasd naar de bebrilde jongen en zijn aparte mantel. De jongen keek terug: geamuseerd, plagend… later bedenkelijk. Wie waren zij anders dan de massa gehuld in (nep) leren jas of een ander massaproduct, wie waren zij om te oordelen? Dezelfde jassen, dezelfde schoenen. Geen recht van spreken.
Bij WE keek de verkoper mij eveneens raar aan, waarop ik in een achterbuurtboetiek een acceptabele, beige jas kocht. De poncho verdween in de zak en later terug in de kast. Anders zijn als jasje.
Gepubliceerd op 22 januari 2003