Hulp uit Spanje

Het was een klein meisje, zo rond de 5 jaar oud. Aarzelend keek ze om zich heen. ‘Ga nou’, zegt haar moeder. ‘Hij bijt niet’. Met haar handen duwt ze het kind lichtjes naar het duo, dat een paar meter verderop stond. Ze kijkt verlegen naar de grond als ze voelt hoe haar handje door een warme handschoen vast wordt gepakt, om een tedere handdruk te geven. Dan kijkt ze omhoog en ziet hoe de grote kindervriend naar haar lacht, zijn mijter glimmend in het zonlicht. ‘Dag, Sinterklaas’, zei ze met een zachte stem. ‘Hallo, klein meisje, zei de man met een brommende stem. Ze vertelt wat ze graag zou willen hebben, en krijgt vervolgens van Zwarte Piet natuurlijk veel te veel pepernoten. Terwijl ze haar moeder een handje geeft loopt ze zacht zingend weg. Dit alles vindt plaats in een drukke winkelstraat, op een broeierige zaterdagmiddag. Nadat het meisje bij Sint en Piet weg was gelopen, volgen nog veel meer andere kinderen die vrolijk worden bedolven onder een berg pepernoten. Het vormt een scherp contrast met de mensen om hen heen, die driftig van winkel naar winkel rennen, in een poging het perfecte sinterklaascadeau te vinden. Zo ook ik, al had ik een kleine pauze genomen om naar het gelukkige meisje met haar moeder te kijken. Ik ben een van de weinigen die af en toe kan glimlachen om andere mensen. In een platenzaak wordt er telefonisch in onvervalst Utrechts dialect geschreeuwd ‘of dattie nou Skihut één of twee wou hebbe’. Later hoorde ik een moeder tegen haar jengelende zoontje roepen ‘Als ik je nu 5 Euro geef, sodemieter je dan op?’ Na een paar uur heb ik eindelijk de cadeautjes gekocht die ik wilde hebben, en loop ik opgelucht naar de bushalte toe. Plotseling gaat er een man voor mij staan. Ik neem aan dat hij de weg wilde vragen, en wil net zeggen dat ik in een vreemde stad ben en dat ik hem echt niet kon helpen. ‘Heb je ooit nagedacht over het evangelie van Christus?’ Stomverbaasd kijk ik hem aan, later zal ik me bedenken dat hij leek op prins Willem-Alexander. ‘Nee.’ ‘Waarom niet?’,vraagt hij, zich bewust zijnde van de verwarring die hij mij tot stand brengt. ‘Om…omdat ik niet in God geloof’, stamelde ik. ‘Maar als je nu eens kijkt in alle ogen, van alle mensen die hier rondlopen. Dat kan toch niet zomaar gebeurd zijn? Daar moet toch iets achter zitten?’ Net op het moment dat ik verzeild dreig te raken in een ethische discussie, komen er een hoop pieten langs. Muzikale pieten, die luid trommelend en blazend in trompetten een opstopping in de drukke winkelstraat veroorzaken. Pieten die ballonnen uitdelen met parfummerken erop. Pieten die pepernoten gooien, en de ene handstand na de andere maken. Sinterklaas is met zijn trouwe knechten op weg naar de boot, wat niet zo verwonderlijk is aangezien ze al een tijd in het centrum rond hebben gelopen. De vreemde man kijkt geïrriteerd op als hij plotseling met een gouden staf op de schouder wordt getikt, en door de goedheilig man wordt gevraagd wat hij wil hebben van Sinterklaas. De vreemde man kijkt de Sint boos aan, en zegt hem dat hij net bezig is met een ‘leuke discussie’. Wanneer de Sint weer door is gelopen, ziet hij dat de jongen die hij net zo makkelijk aan had gehouden snel door loopt. Dank u sinterklaasje... Gepubliceerd op 4 december 2002