Het Stukje - De dag dat iedereen naamloos was

Door Camiel
Iets of iemand moest door C. belasterd zijn. Op een andere manier was niet te verklaren waarom hij na een nacht van slapeloosheid het recht niet meer had zich namen te herinneren. Hoe diep hij ook nadacht, gefrustreerd het hoofd tussen zijn handen plette of geconcentreerd voor zich uit staarde, hij kende geen namen meer. Net zoals elke doordeweekse dag liep C. anderhalf uur na het einde van zijn slapeloze nacht toch de school binnen. In de kantine hoopte hij een verklaring te vinden voor zijn wanhopig makende mysterie. Misschien zou een slap bekertje koffie hem wakker maken, of in ieder geval helderder dan hij was. De eerste die hij tegen het lijf liep was een meisje met een lachende, zelfs blije blik en een mobiele telefoon in haar rechterhand. C. Schrok. Dat mocht hij niet opmerken. Het meisje begroette hem vriendelijk en vroeg waarom hij zo verdwaasd uit z\'n ogen keek. \"Ehh,..\" Hoe heette de dame ook al weer? \"..Ik weet niet meer hoe ik heet. Weet jij het?\" De vraag leek net op het verkeerde moment gesteld te zijn, aangezien de oren voor wie hij bedoeld was een andere kant op waren gericht en in plaats van C\'s woorden het geluid van een rumoerig pauzetafereel opvingen. \"Wat heb jij?\" vroeg het meisje even later. \"Slaap.\" antwoordde C. met een ernstig gezicht. Zijn naamloze klasgenote barstte uit in een bulderend gelach, terwijl ze al die tijd al een ongewoon brede glimlach op haar gezicht had gedragen. \"Welk vak?\" Dat wist hij niet. Het leek C. het makkelijkst om met de grote stroom leerlingen de kantine uit te lopen en zich te laten meevoeren in het gedrang. Zo moest hij uiteindelijk, als hij maar niet te veel nadacht, op een plek terecht komen. Hij kwam terecht in een lokaal waar Frans gegeven werd, nam plaats aan een wankelend tafeltje, naast een blij kijkende, blonde jongen. Het viel C. op dat hij redelijk lang was en daarom wat slungelig overkwam. Die waarneming riep onmiddellijk schaamte in hem op. \"Hé, psst..\" De jongen gebruikte voor de grap een louche stem, \"Beltegoedkaarten kopen?\" C. bleef hem met open mond aankijken. Hij kende de jongen, zat er al een jaar bij in de klas, maar wist met geen mogelijkheid op zijn naam te komen. Terwijl hij het aanbod afsloeg (wat heb je aan een beltegoedkaart zonder telefoon?) vouwde hij een stuk papier op en plaatste het onder de onstabiele poot van zijn tafel. Voor in de klas begon een leraar met zijn klassikale les. C. kon hem niet duidelijk zien, omdat de zon die door de ramen naar binnen scheen hem gedeeltelijk verblindde. De man sprak over negentiende eeuwse Franse literatuur, tokkelde af en toe wat namen op het bord, die net zo min te zien waren door de reflectie van de felle zon op het groene vlak. Om zich heen zag C. een twintigtal gezichten die hij allemaal wel een beetje kende, maar net zoals iedereen vandaag geen namen bij zich droegen. Het grootste gedeelte van de medeleerlingen keek strak voor zich uit, ze concentreerden zich met gespannen glimlach op de uitleg van hun leraar. Een ander gedeelte, waaronder zich ook de vrolijke jongen naast C. bevond, was druk bezig met andere zaken. Ze keken tegen de winterzon in naar buiten, hielden op fluisterende toon een gesprek of lazen een kopietje dat kort daarvoor uitgedeeld was; alles met hetzelfde euforische smoelwerk. Tussen alle blije gezichten die hem achterdochtig maakten bemerkte C. plotseling een ander gezicht. Het was weliswaar net als alle andere voorzien van een glimlach, maar verschilde toch van de rest. Deze glimlach bezorgde de drager geen pijn in haar kaakspieren en ging niet vergezeld van wijd openstaande baby-ogen: Het was een integere glimlach die C. herinnerde aan vroegere tijden, van bomen, speels geschreeuw en stoffige pleinen. Als een aankomende niesaanval leken er namen te naderen; namen die hij zo graag wilde weten. Op het moment wanneer binnen moesten schieten verdwenen de herinneringen echter acuut, zoals een niesaanval ook opeens niet door kan gaan. C. keek in de richting van de leraar, die achter een spierwitte vlek zonlicht voor het bord stond. Hij had hem een vraag gesteld. De stem klonk krakerig, alsof hij door de telefoon sprak. \"Ik vroeg,\" herhaalde hij:\"of je wist wat de schrijver bedoelde met deze dingen.\" C. probeerde te antwoorden en formuleerde in zijn hoofd wat hij wilde zeggen. Hij was van mening dat hij, als iemand die de besproken boeken niet uitvoerig had gelezen en nog veel minder afwist van de dingen die de schrijver hadden aangezet tot het schrijven ervan, niet te snel kon oordelen over de dingen die beschreven werden. Het was een lange zin en C. begon zijn woorden tot tweemaal toe stotterend uit te spreken. Hij kon de gezichtsuitdrukking van zijn leraar nog steeds niet zien en was bezorgd, omdat hij zo niet kon opmaken of de vraag hem met irritatie of juist alle goede bedoelingen gesteld werd. \"Nou?\" klonk er ongeduldig. Twintig te vriendelijke blikken waren nu allemaal naar één kant gericht en het werd warm. Omdat hij niet goed uit zijn woorden kon komen bedacht C. zich dat hij alles in \'t kort kon opschrijven, zodat het overzichtelijker werd en hij niet verstrikt raakte in zijn eigen bewoordingen. Maar zodra hij een pen oppakte, een simpele balpoint, en deze op papier dreigde te zetten trok er een geschrokken \"oh\" door de klas. De leraar slaakte een hogere kreet:\"Wat doe je?\" Verstijfd viel de pen uit zijn hand, rolde over tafel en viel op het laatst, na een kort moment van twijfel, van de rand. Wat deed hij fout? \"Ik dacht, ik schrijf het even..\" \"Je schreef het even op! En wat ging je dan schrijven? Ben je je er van bewust dat hetgene wat je opschrijft mensen kan schaden?\" De twintig lachende gezichten ontspanden geen spier en bleven hem zwijgend aanstaren, wachtend op het volgende dat hij zou gaan zeggen. Maar C. zweeg. Zoekend keek hij de ruimte rond naar het ene gezicht dat zo anders was. Een minuut geleden had hij via die ene bekende blik bijna zijn vermogen om namen te herinneren teruggekregen, nu leek ze nergens te bekennen. Geen houvast. \"Volgens mij,\" zei de onzichtbare leraar:\"heb jij er geen weet van hoe je mensen pijn kunt doen met je pen.\" Behalve dat het al bloedheet was in het lokaal, en de simultaan getrokken gezichten nerveus maakten, vormden er zich zwarte plekken in het beeld. Hijgend en met ogen zo groot als de rest van de klas keek C. nu naar het meisje wat hij voor de les gesproken had in de kantine. Op verzoek van de man voor het bord draaide ze haar hoofd naar hem toe en kon hij in haar nek, dat viel hem voor het eerst op, een blauwe balpointkras van kaak tot kraag zien zitten. Zachtjes ging er een lange zoemer af. Iedereen stond op en liep de klas uit. De leraar vroeg C. vriendelijk nog even te blijven zitten. \"Waarom doe je dat?\" \"Wat?\" C. voelde een zweetdruppeltje uit zijn hoofd komen en krabbelde er even over. \"Mensen zo toetakelen.\" De leraar was naar achteren gelopen en op een tafel tegenover zijn leerling gaan zitten. Hij sprak op een rustige toon en zijn gezicht dat nu te zien was vertoonde geen enkel spoor van woede of kwaadgezindheid. C. wenste echter dat dit wel het geval was geweest, dan mocht hij zich tenminste op agressieve wijze tegen de man verzetten. Die was helaas niet woedend, maar een levensgrote brok onbegrip. \"Waarom doe je dat?\" Bij het uitspreken van het woord \'dat\' wees hij op de plaats waar het meisje met de pennenstreep in haar nek had gezeten. C. antwoordde niet. Híj moest vragen stellen:\"Waarom mag ik niet schrijven?\" Kalm antwoordde de leraar, zijn armen over elkaar geslagen:\"Omdat je mensen pijn doet met je pen.\" \"Is dat ook de reden waarom ik geen namen meer mag weten?\" De leraar knikte en sloot daarbij zijn ogen. C. was verstomd door het feit dat de leraar antwoord kon geven op zijn vragen. Hij wilde er meer stellen, waardoor de woorden er weer stotterend uitkwamen. \"Hoe kan ik ze dan weer te weten komen? Op deze manier valt niet te leven.\" \"Als je niet weet hoe je iemand moet noemen bedenk je maar een fictieve naam.\" luidde het antwoord. De man haalde zijn schouders op. Hoewel ik het meest naar mijn bed verlangde ging ik in de school op zoek naar het meisje met de integere glimlach. Door de herinnering aan bomen, speels geschreeuw en stoffige pleinen dacht ik dat ze me kon helpen in deze bizarre wereld waar ik sinds het openen van mijn ogen die ochtend in terecht was gekomen. Na een kwartier van rusteloos rennen zag ik haar aan het eind van een lange gang staan en riep haar. Ze leek terughoudend. \"Wat is er aan de hand?\" vroeg ik haar. \"Met wie?\" \"Met iedereen, of alleen mij.\" Stil wachtte ik af of ze iets zou gaan vertellen. \"Ik weet het niet, of ik dit nu wel moet doen. Hij heeft me voor je gewaarschuwd.\" \"Wie?\" Ze wees naar het andere einde van de gang, waar de leraar met twee vrolijk kijkende concierges aan kwam stappen. Ze naderden. \"Het lijkt me beter..\" zei hij, en nog een keer toen hij dichterbij gekomen was en er zeker van was dat ik hem goed verstond:\"Het lijkt me beter als jij haar met rust laat.\" Ik deed een stap achteruit, omdat de aanblik van de glimlachen me behoorlijk angstig maakte, en struikelde bijna. Mij werd gevraagd of ik me niet beter kon afreageren op figuren die het verdienden, als ik zo nodig mijn pen moest gebruiken. Nog één keer probeerde ik verduidelijking te krijgen en keek daarbij alle vier aanwezige personen aan:\"Hoe kan iemand in vredesnaam een ander pijn doen met zijn pen?\" Een concierge greep me vast, waarna ik een stekende pijn voelde in mijn rug. Hij draaide de balpoint een kwartslag om en trok hem daarna uit de ritmisch gutsende wond. Geen zorgen, het verhaal liep goed af, want iedereen keek blij. Gepubliceerd op 19 december 1999