Het Herinneringenparadijs
Reünies. Herinneringen. Drukte. Blije mensen. Schreeuwende mensen. Veel bier. Gezellig. Nog meer bier. Nog gezelliger. Overvolle asbakken. Kanker? Waar dan? Vrouwen nemen witte wijn. Mannen wagen zich niet aan die troep. Schone vloer wordt vuile vloer, netjes gekamd haarstukje wordt warrige pluizenbol. Men staat gezellig steunend tegen een van de vele tafeltjes in de afgehuurde ruimte. In werkelijkheid wil men niet toegeven dat hun benen ongelofelijk vermoeid zijn van het staan. Gezellig kletsen is de remedie. Zweterige ruggen kleven aan elkaar, geven geen ruimte voor het personeel dat zich door de massa probeert te duwen. Is het eigenlijk wel personeel? Of zijn de mensen, voor de gelegenheid gekleed in een witte blouse, blauw/wit mouwloos vestje met gouden knoopjes, en een blauw schort, gewoon van een aparte geloofsovertuiging? Nee hoor, het zijn scholieren. Nederige leerlingen die uitverkoren zijn om te helpen op deze reünie. Of eigenlijk een schoolreünie. Een geval apart.
Zaterdagmiddag, 14:15 uur. Gehuld in een respectabele blouse en broek – want je moet er als bedieningspersoneel toch een beetje waardig uitzien – vertrek ik naar school. Ik wordt opgewacht door een vrouw in een groen T-shirt, die mij verteld naar de docentenkamer te gaan. Daar zit iedereen al rond een grote tafel. Ik neem plaats, en hoor dat er verschillende taken voor vanavond zijn. Na een korte uiteenzetting worden de dames gevraagd naar een ander kamertje te gaan, “waar ze de kleding uit kunnen kiezen”. Moeten de jongens ook? Ja, de jongens ook. Ter illustratie huppelt er een jongen naar voren, en laat de verschrikkelijke combinatie lappen stof aan ons zien. Ik kijk naar mijn nette blouse en zeg hem vaarwel. Na de metamorfose loopt iedereen naar de aula, waar we waar worden genomen door De Afdelingsleider. “Als jullie maandag nou ook zo rondlopen…”. De Afdelingsleider vindt het vreemd als hij na een onschuldig grapje dodende blikken ziet in de ogen van de anders zo goedgemutste leerlingen.
Ik wordt gewezen naar de bar, en nog geen minuut later wordt ik benaderd door een zwartharige jongen. “Ik ga jou leren tappen”, vertelt hij. Ik glimlach, en zeg dat hij niet weet wat hij de klanten aandoet. Hij moet niet lachen, en pakt demonstratief een bierglas. “De knop moet helemaal naar achteren. Dan schuif je meteen het glas eronder. Kijk, zo”. Ik zie hoe het goudkleurige vocht het glas vult, en moet opeens naar de wc. Ik zeg het niet tegen de zwartharige jongen, die glimlachend het schuim van het glas wegvaagt. “Nu jij”. Ik doe hetzelfde als hij deed, en zie hoe een identiek exemplaar ontstaat. “Goed, heel goed”. Beginnersgeluk, want de daarop volgende pogingen zijn witter dan ooit. Ikzelf heb er niet zoveel problemen mee, maar de klanten reageren niet al te enthousiast. Ik probeer nog te zeggen dat het schuim wel oplost als ze wat langer wachten, maar veel meer dan een glimlach gevolgd door een afwijzing komt er niet.
Het valt mij op dat ik steeds minder kan geloven dat de aanwezige gasten ooit op een school hebben gezeten, gezien de opmerkelijke afwijking die zij hebben betreft de muntjes. Deze plastic fiches, bedoeld om makkelijk mee te betalen, zijn er in de kleuren zwart en rood. Rood is voor de broodjes, zwart is voor de drankjes. Simpel,toch? Niet voor deze mensen. Het aantal mensen dat heeft geprobeerd aan de bar te betalen met een rood muntje is niet op één hand te tellen. Als ik later met een dienblad gevuld met verschillende soorten dranken de dampende massa intrek – om de mensen die druk aan het kletsen zijn muntjes te laten betalen voor een dorstlessend vocht – blijkt ook het coördinatievermogen niet helemaal optimaal te zijn. Men vult een leeg bekertje met een paar muntjes, zet dat op het dienblad, ziet dan dat veel mensen dat bekertje niet zien, maakt hen attent op de aanwezigheid van het plastic bekertje, en ziet dan vol verbazing hoe het muntje naast het bekertje wordt neergelegd. Niets te gek, in Het Herinneringenparadijs.
In mijn enthousiasme een volledig verslag te doen van deze herdenkingswaardige gebeurtenis, ben ik weer eens te scheutig geweest met mijn bijvoeglijk naamwoorden. Wat een ironie; eerst de gasten van de schoolreünie beschuldigen van bepaalde afwijkingen, terwijl de columnist zelf nogal moeilijk om schijnt te kunnen gaan met het inperken van zijn taalkundige vaardigheden. Hierdoor heb ik nogal weinig tijd te vermelden dat Marco van Basten ook aanwezig was, laat staan een aangrijpende alinea over wanhopig schreeuwende benen die de last van het bovenlijf niet meer kunnen dragen. Laat ik afsluiten door te zeggen dat het een hele leuke reünie was. Werkelijk, enig. Weer een herinnering voor de gedachtendoos. Vooral het moment dat er in mijn handen een paar waardevolle briefjes werden gestopt zal me altijd bijblijven.
Gepubliceerd op 8 oktober 2002