Gordijntjes
Je hebt wel eens van die klasgenoten die de volgende dag met een compleet nieuwe look op school komen, alle lofuitingen van andere scholieren bescheiden in ontvangst nemen en vervolgens doen alsof ze nog nooit andere kleding, een andere bril, of een ander kapsel hadden. Meestal negeerde ik dat soort mensen, ik zag metamorfoses als een nieuwe vorm van aandacht. Nu denk ik daar heel anders over. Ik heb namelijk sinds kort mijn haartjes anders laten knippen. Tot grote vreugde van mijn ouders. Mijn haar was voorheen gekamd in een middenscheiding, en aangezien ik nogal slap haar heb hingen die twee lokken wel eens naar beneden. ‘Gordijntjes’, noemden ze het. Wanneer we ergens heen gingen, en ik maakte de fout te vragen of mijn haar goed zat, werd telkens geantwoord: ‘Nee, natuurlijk niet, ik raad je trouwens wel aan om bij aankomst de gordijntjes open te doen, haha.”
“Ga dan mee naar de kapper”, zei mijn moeder op een dag. “Morgenmiddag ben ik vrij, en kunnen we een nieuw kapsel uitzoeken bij de haartje-voor-haartje-kapper.” Ik laat mijn haar namelijk altijd knippen door een man die elke minuut mijn hoofd een andere kant op schuift, en zijn oude vingers elk plukje haar vast laat pakken om het met zijn kleine schaar af te knippen. Hij is zo druk bezig met mijn kapsel dat hij nooit praat, een erg zeldzame eigenschap in de kapperswereld. Die middag stapte ik met mijn moeder de kapperszaak binnen.“Hallo, ik wil graag een nieuw kapsel.” Ik wilde eraan toevoegen “Om maar eens van dat gezeik van mijn ouders af te zijn”, maar aangezien mijn moeder betaalde leek me dat geen goed idee.
Uit een bruinleren map koos ik een kapsel, en nam plaats in de kappersstoel. Toen het zwarte schort over me heen werd gegooid, wist ik dat ik niet meer terug kon. Een nieuw kapsel. Ik, die al drie jaar de oude vertrouwde gordijntjes op mijn voorhoofd hoorde wapperen, koos nu voor een kort, wild kapsel. Toen de kapper ontelbaar afgeknipte plukjes haar later vroeg of het zo kort genoeg was, antwoordde ik haastig “Jawel, hoor, prima, geweldig”. Het liefst was ik opgestaan om thuis de schade te herstellen met gel en een hoop creativiteit, maar beleefd stond ik toe dat hij nog wat plukjes haar verplaatste, in een poging hetzelfde model te krijgen als op de foto. Buiten aangekomen vroeg mijn moeder of ik misschien nog naar een winkel wilde, maar ik zei dat ik liever doorliep naar huis. “Ik vind het nu al veel beter zitten”, zei ze blij. “Ja, ik ook”, zei ik in een poging zo overtuigend mogelijk te klinken.
De volgende dag op school merkte iemand op dat ik naar de kapper geweest. Andere klasgenoten glimlachten alleen maar. Dat kan twee dingen betekenen. Òf het staat me goed, òf mijn kapsel wordt gedoogd. Ik ben er nog niet helemaal uit. Wat ik wel weet is dat ik voortaan anders denk over de rondlopende “Kijk mijn metamorfose eens goed gelukt zijn-klasgenootjes” Want een metamorfose vereist lef. In mijn geval lef om de missende meningen van klasgenoten te negeren. En ach, als ik voor de aandacht was gegaan, had ik wel een Ferry Hoogendijk-bril, een Youp van ’t Hek-bril, of een Jack Spijkerman-bril gekocht. Over lef gesproken.
Gepubliceerd op 20 november 2002