Belvedent

‘Pap, we moeten hier weg. Die man kijkt de hele tijd tv’ ‘We moeten niet weg.’ ‘Jawel! Het is hartstikke leuk om bij die man op visite te gaan, maar hij kijkt de hele tijd tv’ ‘Wat doe je raar.’ ‘Ik doe niet raar. We moeten weg.’ ‘Goed. Maar toch doe je raar.’ Deze dialoog heeft vannacht plaats gevonden, in mijn droom. Ik heb nooit dromen, en meestal kan ik ze niet meer herinneren. Op een avond hoorde ik een vrouw op tv zeggen dat als we onze dromen willen blijven herinneren, we ’s ochtends moeten blijven liggen in de houding waarin we wakker zijn geworden. De volgende ochtend lig ik met open ogen in bed. Bewegingsloos, op mijn rug. Helaas roept mijn moeder al na een paar seconden dat ik op moet staan, zodoende kon ik later alleen deze dialoog nog herinneren. Het is een kort, maar vreemd gesprek tussen vader en zoon. Ik moet er wel om lachen, en nam voor de volgende dagen door te gaan met het stilliggen als ik wakker word. Wat zou er nog meer gebeuren in mijn dromen? Een paar dagen later heb ik het antwoord. In mijn dromen hak ik als ‘ridder Belvedent’ monsters met hoofden van enkele klasgenoten aan stukken, rijd ik op op afstand bestuurbare paarden, en word ik, liggend in grachtenwater, beschoten door een vrouw met zwart haar. Één ochtend word ik zelfs ijlend wakker, mompelend over een appeltaart die nog gemaakt moet worden. Ik houd niet eens van appeltaarten. ’s Avonds, in mijn bed: ‘Rob?’ fluister ik. ‘Ja?’, fluister ik terug. ‘Ik ben die dromen een beetje zat. Ze zijn erg fantasievol en origineel enzo, maar best wel een beetje heel erg vermoeiend. Voortaan wil ik gewoon gaan slapen en ’s ochtends opstaan, en alles wat daartussen gebeurt moet één groot zwart gat blijven.’ ‘Geen zwaaiende monsters en appeltaarten meer?’ ‘Nee’ ‘Goed. Welterusten.’ Die nacht koop ik lasso’s via mijn mobiele telefoon om herten te vangen langs het strand, ren ik door gangen met muren vol doornen, en heb ik een ontmoeting met een tovenaar op een parkethouten vloer. Gepubliceerd op 13 januari 2003