HOOFDSTUK 17 SAMENSPEL
§ 17.1 Een ogenblik
Lichtreceptoren bevinden zich in het netvlies van het oog
De functie van een lens is om scherp beeld te maken
Bij fel licht trekken kringspiertjes in de iris samen, dat maakt pupillen kleiner
Hoornvlies: bestaat uit een laagje doorzichtige, levende cellen, speelt een rol bij lichtbreking, op het grensvlak van lucht en het waterige hoornvlies treedt lichtbreking op (dit komt door het verschil in dichtheid van lucht en water), de lichtbreking wordt vergroot doordat het oppervlak van je hoornvlies gebogen is
Ooglens: breekt het licht nog een extra, zodat beelden, onafhankelijk van de afstand van het voorwerp, scherp op je netvlies komen, zit met lensbandjes vast aan het straalvormig lichaam
Straalvormig lichaam: bestaat uit een aantal kringspiertjes
Wanneer je in de verte krijkt, ontspannen de kringspiertjes in het straalvormig lichaam, het straalvormig lichaam krijgt een grotere diameter en trekt de lens plat via de lensbandjes
Wanneer je dichtbij kijkt, trekken de kringspiertjes in het straalvormig lichaam samen, de lensbandjes verslappen en je lens krijgt daardoor een bolle vorm
Accommoderen: vormverandering van je ooglens bij het scherpstellen
De breking van de lichtstraling door het hoornvlies en de ooglens geeft een verkleind, omgekeerd beeld op het netvlies, de hersenen vertalen deze informatie terug (rechtop)
Netvlies: soort van lichtgevoelig scherm achter in het oog, ligt binnen en achter in het oog en bestaat uit zintuigcellen, deze cellen vangen het licht dat in het oog binnenkomt op, ze zijn onder te verdelen in kegeltjes (waarnemen van kleurverschillen) en staafjes (kunnen verschil tussen licht en donker maken)
Bij mensen die bijziend zijn, breken lichtstralen te sterk, ze zien goed op korte afstand en hebben een holle lensvorm nodig om in de verte scherp te kunnen zien, de holle lens heft de te sterke breking door het hoornvlies en ooglens op
Bij mensen die verziend zijn, breken lichtstralen te weinig, ze zien niet goed op korte afstand en hebben een bolle lensvorm nodig om op korte afstand te kunnen, de bolle lens breekt de lichtstralen extra
Via de pupilgrootte regelt de iris de hoeveelheid licht in een oog. Hoornvlies en ooglens breken het licht. Daardoor ontstaat een omgekeerd, verkleind beeld op het netvlies.
Lich gaat door het hoornvlies, kamervocht, pupil, lens en het glasachtig lichaam tot het op het netvlies valt
Oogzenuw: onderdeel dat de verbinding vormt tussen oog en hersenen
Blinde vlek: gebied op het netvlies waar je niks kunt zien, er zitten geen kegeltjes/staafjes
Gele vlek: gebied op het netvlies waar zich alleen kegeltjes bevinden, ook gebied waarmee je de kleinste details kan waarnemen
Prikkeldrempel: prikkel van dusdanige sterkte dat deze nog juist een effect teweeg brengt
Wanneer er genoeg licht is, maken kegeltjes in de gele vlek ee ngedetailleerd kleurenbeeld van je omgeving mogelijk. In een lichtzakke omgeving geven staafjes informatie over je omgeving door.
§ 17.2 Behind blue eyes
In het dagelijks leven merk je niets van je blinde vlek, dit komt doordat je ogen kleine bewegingen maken, je tweee ogen niet precies hetzelfde beeld op de blinde vlek ontvangen en omdat je hersenen het gat invullen
Het netvlies bestaat niet alleen uit zintuigcellen. De staafjes en kegeltjes geven hun informatie door aan zenuwcellen. In het netvlies zijn dat bipolaire cellen, op hun beurt geven bipolaire zenuwcellen informatie door aan andere zenuwcellen, de ganglioncellen
Bipolaire cellen: transporteert visuele informatie vanuit het netvlies naar de ganglioncellen
Ganglioncellen: transporteert visuele informatie vanuit de bipolaire cellen naar de optische zenuw
De informatie uit de zintuigcellen op het netvlies gaat langs zenuwceluitlopers door een oogzenuw naar de hersenen
Horizontale cellen en amacriene cellen: zenuwcellen die dwarsverbindingen leggen
Receptief veld: geschakelde groep zintuigcellen met de afvoerende ganglioncel, bestaat uit een centrum en een randzone, zijn het kleinst in de gele vlek, kunnen elkaar overlappen
De receptoren in het centrum en de rand zijn op verschillende manieren geschakeld met de afvoerende ganglioncel
In een netvlies zitten drie typen kegeltjes, een is maximaal gevoelig voor blauw licht, een voor groen en een voor rood
Elk receptief veld bevat verschillende typen kegeltjes en voert informatie af via een eigen ganglioncel. Er zijn verschillende typen receptieve velden en ganglioncellen. Afhankelijk van de kleur licht die op een stukje netvlies valt, geven bepaalde ganglioncellen informatie door naar de hersenen en andere niet.
Een receptief veld bestaat uit een groep zintuigcellen die informatie via één ganglioncel afvoeren. Receptieve velden maken het mogelijk informatie over kleuren en contrast door te geven aan de hersenen
In een receptief veld zitten lichtreceptoren (kegeltjes/staafjes), bipolaire cellen, horizontale cellen, amacriene cellen en één ganglioncel
Oogzenuw: alle ganglionceluitlopers samen die naar de hersenen gaan
Via de oogzenuwen komt de informatie in de thalamus
Thalamus: gebied in de hersenen ter hoogte van de slapen
Tussen de ogen en de thalamus in splitsen beide oogzenuwen zich, van beide rechterhelften van de netvliezen komt de informatie aan de rechterkant in de hersenen terecht, van beide linkerhelften komt de informatie in de linkerkant van de hersenen. Vandaar geven zenuwcellen de informatie door naar de visuele schors
Visuele schors: ligt in het achterhoofd, bestaat uit een aantal lagen zenuwcellen, elke laag is gespecialiseerd, een laag analyseert binnengekomen informatie en probeert verbanden te leggen tussen onderdelen van het beeld, er iseen laag voor beweging, voor vorm, voor kleur en voor de contouren van objecten in beweging, alle lagen werken samen
De visuele schors zendt vervolgens informatie naar andere gebieden in de hersenen, de zenuwcellen daar vergelijken de informatie met al opgeslagen informatie, daardoor herken je mensen en dingen uit je omgeving
Wanneer beide ogen gericht zijn op hetzelfde voorewrp, zien ze het onder een verschillende hoek, combinatie van die beelden maakt nauwkeurige afstandsbepaling mogelijk, dit gebeurt via de visuele schors
Informatie uit ganglioncellen gaat via oogzenuwen naar de hersenen. In de hersenen zijn verschillende gebieden om deze informatie te verwerken en te combineren. Hierdoor is het mogelijk bewegingsrichting, vorm, kleur, contrast, afstand en diepte waar te nemen en te herkennen wat je ziet
§ 17.3 Zie je wat je ziet?
Trichromaat: alle kleuren kunnen zien
Dichromaat: het verschil tussen rood en groen niet kunnen zien
Monochromaat: het missen van twee typen pigmenten waardoor ze geen kleurverschillen meer kunnen waarnemen
Bij langdurige prikkeling worden kegeltjes minder gevoelig, als je daarna naar een wit vlak staart, werken deze kegeltjes minder goed, de informatie uit deze kegeltjes valt uit
De mate waarin je kleurverschillen kunt zien, hangt af van het aantal verschillende typen kegetljes dat je hebt. De meeste mensen hebben drie typen kegeltjes. Door langdurige belichting daalt de gevoeligheid van kegeltjes.
Stereogrammen: tekeningen die opgebouwd zijn uit bijna gelijke elementen
Gezichtsbedrog: ontstaat door de manier waarop receptieve velden en hersenen informatie verwerken, zo kunnen gewaarwordingen ontstaan die niet kloppen
Door zintuigcellen in het netvlies kan het dat iemand meer kleuren zien dan iemand anders
Door zintuigcellen in het netvlies kan iemand nabeelden waarnemen
Door zenuwcellen in het netvlies kan iemand donkere stippen op kruispunten van lichte strepen tussen donkere vierkanten waarnemen
Door de hersenen ziet iemand een vis in een stereogram
§ 17.4 Balanceren
Je evenwichtszintuigen zitten links en rechts in je schedelbeen vlak bij je oren
Labyrint: gangenstelsel dat zich bevingt in het binnenoor, bestaat onder andere uit drie halfcirkelvormige kanalen, gevuld met een vloeistof (endolymfe), elk kanaal heeft een verdikt gedeelte, op de bodem van deze verdikking bevinden zich zintuigcellen met lange zintuigharen, die haren steken in een geleiachtige massa (cupula) die als een klapdeur in de endolyfe ligt
Bij elke draaiing van het hoofd bewegen de wanden van de kanalen met je hoofd mee en dus ook de zintuigcellen, de endolymfe in die kanalen blijft door traagheid stilstaan, daardoor beweegt de cupula, de zintuigharen buigen, dat is de prikkel waardoor de zintuigcellen informatie doorgeven naar de hersenen
Bij rechtlijnige bewegingen naar boven of beneden of van voor naar achter of van links naar rechts gebruik je de maculae in het vestibulum van het labyrint
Endolymfe: vloeistof dat zich bevindt in de halfcirkelvormige kanalen in het labyrint
Cupula: geleiachtige massa die zich bevindt op de bodem van de verdikking in het kanaaltje
Zintuigcellen in het labyrint van het binnenoor nemen draaiende en rechtlijnige bewegingen van het hoofd waar.
Geluidsgolven neem je waar met je gehoorzintuigen, geluidsgolven veroorzaken trillingen in de vloeistof in het slakkenhuis van je gehoorzintuig, door de trilling ontstaan er bewegingen in zintuigharen verbonden met zintuigcellen, bij een prikkeling boven de drempelwaarde geven de zintuigcellen daarop informatie door aan de hersenen
Adequate prikkel: bestaat uit trillingen van bepaalde
frequenties
Zintuigcellen in het slakkenhuis van het binnenoor
nemen geluidstrillingen waar, net als in het
evenwichtszintuig reageren de zintuigcellen op een
veranderende stand van zintuigharen.
Geluidstrillingen bij het slakkenhuis komen langs de oorschelp, de gehoorgang, het trommelvlies, de kamer, het aambeeld, de stijgbeugel en het ovale venster
§ 17.5 Geregeld bewegen
Spierspoeltjes: tussen de spiervezels gelegen zintuigjes, leveren informatie over de rektoestand van je spieren, zijn in rust actief (dan gaat er een constante hoeveelheid informatie naar de hersenen)
Als het middengedeelte van een spierspeltje oprekt, neemt de activiteit in een spierspoeltje toe
Als het middengedeelte van een spierspeltje verkort, neemt de activiteit in een spierspoeltje af
De adequate prikken voor een spierspoeltje is een verandering in de lengte van het middengedeelte
Wanneer een spier uitrekt, gaat er door de informatie uit de spierspeltjes een regekring werken die de spier weer korter maakt
Als je de spier wil laten samentrekken dan stuurt je centrale zenuwstelsel een bericht naar je spierspoeltjes, de uiteinden van de spierspoeltjes trekken samen en de activiteit van de spierspoeltjes stijgt, de verhoogde activiteit leidt tot samentrekking van de spier
Peeslichaampjes: zintuigjes die ook op rek reageren, reageren bij een kleine uitrekking van een pees
Een pees rekt uit wanneer een spier er aan trekt, via een regelkring verkort de bijbehorende spier, wanneer de rek te groot wordt, gaat er een dringend bericht naar de hersenen, daardoor verslapt de bijbehorende spier (deze regelkring voorkomt blessures)
Spierspoeltjes en peeslichaampjes geven informatie over rekveranderingen in spieren en pezen. Behulp hiervan en van informatie uit je gewrichten, zijn vloeiende bewegingen mogelijk.
Spierspoeltjes vervullen een belangrijke rol wanneer je een bepaalde houding wilt vasthouden
Spierspoeltjes maken deel uit van een regelkring bij het vasthouden van houdingen
Spierspoeltjes hebben middelgedeeltes die gevoelig zijn voor rek
Spierspoeltjes kunnen hun uiteinden samentrekken
In de hersenstam beïvloeden receptoren het ademhalingscentrum en van daaruit de ademhalingsspieren.
Veel zintuigen meten veranderingen in de bloedsamenstelling, door regelkringen worden deze veranderingen tegengegaan
REACTIES
1 seconde geleden
D.
D.
In paragraaf 17.1 klopt deze zin niet: "Wanneer je in de verte krijkt, ontspannen de kringspiertjes in het straalvormig lichaam, het straalvormig lichaam krijgt een grotere diameter en trekt de lens plat via de lensbandjes". Het straalvormiglichaam krijgt namelijk een minder grote diameter in ontspannen stand, wat de lens plat trekt via de lensbandjes.
11 jaar geleden
AntwoordenN.
N.
Voorwerp ver weg …..> kringspiertjes in het straalvormig lichaam ontspannen, lensbandjes staan strak ….> ooglens wordt platter……> de lichtstralen worden minder gebroken.
10 jaar geleden