1. Politiek, staat en dictatuur
POLITIEK
Algemeen belang = dingen waar veel mensen gebruik van maken of voordeel bij hebben.
- Regelen van zorg en veiligheid
- Zorgen voor voldoende scholen
Politici = vertegenwoordigen het volk en nemen voor hen de besluiten.
- gekozen door verkiezingen
Politieke macht = nemen beslissingen waar wij de gevolgen van merken.
Politiek = het opstellen van regels die te maken hebben met het besturen van het land.
POLITIEKE NIVEAUS
1. het hele land
2. provincie
3. gemeente
4. waterschappen: zorgen voor dijken, sloten en vijvers
5. europa
HET VOLK HEEFT INVLOED
Burgers brengen hun stem uit tijdens verkiezingen wij kiezen de volksvertegenwoordigers
Andere manieren - demonstreren, handtekeningenactie
WAT IS EEN STAAT-
Staat = een bevolking met een eigen grondgebied en een eigen overheid
- Drie kenmerken:
1. eigen grondgebied: lucht, land en water
2. eigen bevolking: multiculturele samenleving = alle NL'ers + alle mensen met een ander nationaliteit
3. eigen overheid: gezag = een overheid die het land bestuurt
WAT IS EEN DICTATUUR-
Dictatuur = wanneer het macht van een staat in de handen van één persoon is, of één partij, of een groep.
- leider van een dictatuur: dictator
- rechten ontnomen bij de burgers
- kenmerken van een dictatuur:
1. geen politieke rechten: macht in de handen van één partij
2. grondrechten niet beschermd: geen vrijheid van meningsuiting
3. leger moet het volk rustig houden
2. Nederland is een rechtstaat en een democratie
RECHTSTAAT
Parlement = Eerste en tweede kamer
Rechtstaat = een staat waarin de overheid is gebonden aan de wettelijker regels die door het parlement goedgekeurd zijn.
KENMERKEN RECHTSTAAT
1. iedereen is gelijk voor de wet
2. inwoners hebben op de manier waarop het land bestuurt word
3. onafhankelijke rechterlijke macht
4. grondwet = staan de belangrijkste rechten van de burger in
5. grondrechten = belangrijkste rechten die gelden in de samenleving staan in de grondwet vastgesteld
RECHTEN ÉN PLICHTEN
Recht = wat je mag doen
Plicht = wat je moet doen
DIRECTE DEMOCRATIE
Democratie = een staatsvorm, waarbij wij als burgers invloed hebben op de politieke besluitvorming
- het volk regeert
Directe democratie:
- referendum = een stemming waarbij kiezers direct uitspreken over een bepaald onderwerp
KENMERKEN PARLEMENTAIRE DEMOCRATIE
1. parlement heeft veel macht
2. vrije en geheime verkiezingen
vrij = je mag zelf weten op wie je stemt
geheim = je mag anoniem stemmen
3. macht en bevoegdheden staan in de grondwet
4. ministers kunnen ter verantwoording geroepen worden
5. beslissingen worden genomen door meerderheid van stemmen
6. burgers hebben grondrechten
7. Trias politica
VERKIEZINGEN
1. Tweede Kamer
2. Provinciale Staten
3. gemeenteraden
4. Waterschappen
5. Europees parlement
KIESRECHT
Kiesrecht = recht om bij verkiezingen je stem uit te brengen
Passief kiesrecht = recht om je verkiesbaar te stellen
TRIAS POLITICA
1. wetgevende macht =opstellen van wetten
2. uitvoerende macht = zorgen ervoor dat de goedgekeurde wetten uitgevoerd worden
3. rechterlijke macht = beoordelen of de wetten wel nageleefd worden
3. Kabinet en regering
KABINET EN REGERING
Kabinet = ministers en staatssecretarissen
Regering = ministers en koningin
HET KABINET WORDT GEVORMD
Doel van kabinetsformatie is dat politieke partijen gaan samenwerken die..
1. het eens zijn over de beleid = plannen die het nieuwe kabinet voor de toekomst van NL heeft
2. samen steun hebben van een meerderheid van de tweede kamer
HET VERLOOP VAN EEN KABINETSFORMATIE
1. Adviezen: politieke leiders gaan op bezoek bij koningin en vertellen welke partijen een kabinet kunnen vormen
2. De informatie: informateur wordt benoemd en voert gesprekken
coalitie = samenwerkingsverband tussen twee of meer partijen
regeerakkoord = welke beleid de coalitiepartijen samen willen voeren
3. Formateur: wordt benoemd door de koningin & gaat op zoek naar ministers en staatssecretarissen
4. Benoeming: koningin benoemd de staatssecretarissen en ministers
REGERING EN PARLEMENT
Taken van het parlement:
1. controleren van ministers
2. medewetgeving
NEDERLAND ALS MONARCHIE
Constitutionele monarchie = de koningin heeft beperkte macht door de grondwet
Koningin is onschendbaar = ministers zijn verantwoordelijk voor het dagelijkse bestuur van Nederland en verantwoordelijk voor wat de koningin zegt en doet in het openbaar - ministeriele verantwoordelijkheid
TAKEN VAN DE KONINGING
1. ceremoniële functie: troontrede voorlezen
2. representatieve functie: vertegenwoordigen van Nederland
3. symbolische functie: handtekeningen zetten
DE REGERING
Ministerraad = vergadering samen met ministers en staatssecretarissen
Plannen maken voor maatschappelijke problemen:
1. maken van wetsvoorstellen
2. uitvoeren van wetsvoorstellen
3. jaarlijks opstellen van de jaarbegroting
MINISTERS
Ministers - eigen beleidsterrein (onderwerp zoals financiën, onderwijs)
- eigen ministerie met eigen ambtenaren
STAATSSECRETARISSEN
Staatssecretarissen = verantwoordelijk voor een deel van het beleidsterrein van de minister
4. Het parlement
WIE ZITTTEN ER IN HET PARLEMENT-
Staten Generaal = Eerste en Tweede kamer = parlement
EERSTE EN TWEEDE KAMER
Eerste kamer: alleen goedkeuren / afkeuren
Tweede kamer: mogen veranderen
FRACTIES
Fractie = een groep vertegenwoordigers van één politieke partij in een gekozen orgaan
Oppositiepartij = partij die niet in de regering zit
TAKEN PARLEMENT
1. medewetgeving
2. controle van ministers
MEDEWETGEVING
1. stemrecht
2. recht van amendement = wetsontwerpen indienen
3. recht van amendement = wetsontwerpen veranderen
CONTROLE VAN MINISTERS
1. vragen te stellen
2. interpelleren = minister ter verantwoording roepen
3. parlementaire enquête = uitgebreid onderzoek naar een onderdeel van het regeringsbeleid
4. budgetrecht = jaarlijkse begroting van ministeries wel of niet goedkeuren
5. motierecht = recht om schriftelijk mening te geven over het beleid van een minister
VERHOUDING TUSSEN REGERING EN HET PARLEMENT
Motie van afkeuring en motie van wantrouwen
Kabinetscrisis = minister treedt af
5. Gemeente en provincie
DE PROVINCIE
- ruimtelijk orde en milieu
- streekplannen = staat in welke activiteiten in een bepaald gebied toegestaan zijn.
PROVINCIAAL BESTUUR
Provinciale Staten = het bestuur van een provincie
Gedeputeerde Staten = het dagelijkse bestuur
Commissaris van de koning = voorzitter van de Gedeputeerde Staten en Provinciale Staten
DE GEMEENTE
Gemeentebestuur = verantwoordelijk voor goed en ordelijk verloop van het openbare leven in een gemeente
Je bent op vier manieren betrokken bij de gemeente:
1. je bent een klant van de gemeente
2. je betaalt belasting
3. je stemt bij verkiezingen
4. je bent betrokken bij het beleid
SAMENSTELLING GEMEENTEBESTUUR
1. gemeenteraad
2. college van B&W
GEMEENTERAAD
1. stemt over besluiten
2. controleert de uitvoerders, burgemeester en wethouder
BURGEMEESTER EN WETHOUDERS
Verantwoordelijk voor het dagelijkse bestuur
- wethouder eigen pakket (financiën, sport)
BURGEMEESTER
Benoemd door de koningin, voorgedragen door minister van Binnenlandse Zaken
Voorzitter van gemeenteraad en college van B&W
- verantwoordelijk voor openbare orde en veiligheid
- hoofd van politie en brandweer
- representatieve functie = vertegenwoordigt zijn gemeente
TAKEN GEMEENTEBESTUUR
1. uitvoeren van wetten en maatregelen van de rijksoverheid
2. regelen van financiën
ontvangen van belastingen = hondenbelasting
3. vaststellen van bestemmingsplan = staat in wat de gemeente met de grondgebied doet
4. zorgen voor openbare orde en veiligheid
5. verschaffen van paspoorten
6. Nederland en Europa
GESCHIEDENIS VAN DE EU
- 1951: oprichten EGKS (Europees Gemeenschap voor Kolen en Staal)
- 1975: EEG (Europees Economisch Gemeenschap)
- 1967: EG (Europees Gemeenschap)
- 1992: EU (Europees Unie)
VREDE, VEILIGHEID EN WELVAART
- EU moest welvarend, vrede, veiligheid en economische welvaart.
Vrij gemeenschappelijk handelsmarkt:
1. vrij verkeer van goederen, diensten, geld en mensen (opheffen van binnengrenzen)
2. garanderen van eerlijke concurrentie
3. gemeenschappelijk landbouwbeleid met behulp van agrarische producten
EU werkt ook samen op gebied van..:
1. buitenlands beleid
2. milieu
3. justitie
INVLOED VAN EU OP NEDERLAND
1. euro: gemeenschappelijk munt
2. rechten van de consument beter beschermd (iets kapot - geld terug)
3. gezondheid- en veiligheidseisen (streng op producten)
4. mobiel bellen goedkoper
5. bescherming van het milieu
6. gelijke rechten voor mannen en vrouwen
7. verbod op dierenproeven
8. Europees burgerschap = burgers hebben speciale rechten, zoals vrij reizen, wonen etc.
9. mensenrechten en democratische beginselen eerbiedigen en steunen
10. studie en stage voor jongeren
BESTUUR VAN DE EU
- Europees Commissie
- Europees Parlement
- Raad van Ministers
DE EUROPESE COMMISSIE
1. stellen nieuwe wetten en voeren het uit
2. controleert of de lidstaten zich eraan houden
De Raad van Ministers
Raad van Europese Unie: bestaat uit ministers van andere lidstaten: komen op voor belangen van eigen land
- goedkeuren of afkeuren van wetten
HET EUROPEES PARLEMENT
Vertegenwoordigt burgers
1. medewetgeving (alleen goed/afkeuren)
2. controleren van Europese commissie
DE EUROPESE RAAD
Regeringsleiders van de lidstaten
- beslissen over belangrijke zake en bij problemen
HET EUROPEES HOF VAN JUSTITIE
Onafhankelijke rechterlijke macht binnen EU
KNELPUNTEN IN DE EU:
1. zelfstandigheid is beperkt
2. weinig democratische controleren
3. EU is logge en bureaucratische organisatie
4. EU niet groter
5. Vrije verkeer van mensen: nadeel - lagelonenlanden
7. Knelpunten in de politiek
KNELPUNTEN
Afstand tussen kiezers en politici groot
1. ministers meer macht
2. regeerakkoord klopt niet
3. parlement heeft weinig te vertellen
4. beslissingen tegen de mening van het volk
5. problemen moeilijk oplosbaar
6. weinig vertrouwen in het politiek (regels ingewikkeld)
7. teveel bureaucratie = teveel papier en formulierwerk
8. beslissingen op Europees Niveau
VERBETERINGEN
Mensen moeten betrokken bij politiek worden
REFERENDUM
Voordelen:
1. Directe invloed
2. draagvlak telt: plan heeft veel steun van mensen
Nadelen:
1. besluitvorming duurt langer
2. politici is buiten spel
3. onderwerpen te ingewikkeld
4. keuzes te simpel door een ja en een nee
STEMPLICHT
Alle kiezers moeten tijdens verkiezingen hun stem uitbrengen
REGIONALE KANDIDAATSTELLING
Kandidaten uit verschillende regio's uit NL
- probleem: kandidaat voelt zich verantwoordelijk op voor de belangen van zijn regio op te komen
GEKOZEN MINISTER-PRESIDENT EN BURGEMEESTER
Burgers moeten gekozen minister-president en burgemeester kiezen.
DEREGULERING
Deregulering = het maken en uitvoeren van regels op een niveau dat dichter bij burgers staat
- afgifte van paspoorten
- nadeel: alles verschilt per regio
MEER BEVOEDHEDEN VOOR HET PARLEMENT
Politiek spannender als Eerste en Tweede kamer meer macht krijgt:
1. regeerakkoord globaler en minder gedetailleerd
2. geef ook parlementariërs de steun van ambtenarendeskundigen
8. Politieke besluitvorming
WANNEER START POLITIEKE BESLUITVORMRING-
Politieke besluiten = gebaseerd op wensen van mensen
- problemen die we niet zelf kunnen oplossen
BESLUITVORMING
1. Fase 1: Invoer: het uiten van wensen, waardoor ze als politieke probleem erkend worden.
Publieke opinie = via de massamedia zoveel mogelijk mensen op de hoogte brengt met je wensen of probleem
komt op politieke agenda te staan - kabinet of gemeente aandacht eraan besteden
2. Fase 2: omzetting: afwegen van politieke problemen en het bedenken van oplossingen
- welke onderwerp krijgt prioriteit-
- beleidsvoorbereiding = oplossingen verzinnen
3. Fase 3: de beluitingsvorm
voorlopige oplossing verzinnen
4. Fase 4: besluiten uitvoeren
uitvoeren door ambtenaren en controleren of het wel uitgevoerd wordt
5. Terugkoppeling: er komen weer reacties.
AMBTENAREN
- stellen wetten op
- zijn van vaste waarde: doen langer hun werk
- veel politieke invloed: zeggen wat ze vinden en wat de politiek moet doen
POLITIEKE PARTIJEN
Invloed hebben:
1. standpunten naar voren hebben
2. leveren politieke functies
3. beïnvloeden mensen in politieke functies
4. vertegenwoordigen de mensen hun belangen
INVLOED VAN PARTIJEN
Lijsttrekkers verdedigen tijdens de verkiezingcampagne het eigen verkiezingsprogramma
Regeringspartij schrijft aan het regeerakkoord en oppositiepartijen niet.
COMPROMISSEN
Overeenkomsten tussen partijen waarbij ieder wat toegeeft.
9. Burgers, de media en pressiegroepen
INVLOED VAN DE MEDIA
1. informatieve functie = geven informatie over onderwerpen
2. agendafunctie = journalisten gaan op onderzoek uit, zoeken onderwerpen zodat ze op de politieke agenda belanden
3. commentaar – en meningsvormingfunctie = leveren de media kritiek op politieke besluiten
4. controlerende functie = media kijkt of de politiek wel netjes handelen
5. Spreekbuisfunctie = groepen en mensen geven via de media hun mening
INVLOED VAN BURGERS
1. stemmen
2. spreekrecht gebruik maken
3. lid worden van politieke partij
4. oprichten van politieke partij
5. contact opnemen met politici
6. verzoek indienen
7. klacht of bezwaarschrift maken naar rechter stappen
8. media inschakelen
9. lid worden van een pressiegroep of zelf een pressiegroep oprichten
10. demonstreren of handtekeningenactie houden
11. Nationale Ombudsman inschakelen
INVLOED VAN PRESSIEGROEPEN
Pressiegroepen = groepen die bepaalde belangen nastreven en die proberen invloed uit te oefenen op de politieke besluitvorming
Pressie = druk
Lobbyen = steun vragen aan politieke bestuurders
- openlijke acties: blokkades, demonstreren, handtekeningenacties
SOORTEN PRESSIEGROEPEN
1. belangengroep: komen op voor belangen van een groep
2. actiegroepen: zetten zich in voor een korte tijd voor een probleem
3. actieorganisaties: zetten zich in voor een lange tijd voor een probleem
HOE KRIJGT EEN PRESSIEGROEP MACHT-
Machtsmiddelen:
1. Kennis: hoe meer kennis, hoe meer invloed
2. Grootte van de groep: hoe groter de groep, hoe meer invloed
3. Geld: hoe meer geld, hoe meer invloed
4. Toegang tot de media: goede contacten
5. Toegang tot politici: goede contacten
6. Charisma van de leider: hoe meer gezag, hoe meer invloed
7. Zitting hebben in het bestuur of adviesorgaan: meegaan
10. Politieke stromingen
Politieke stroming = geheel van ideeën over wat belangrijk is in de maatschappij en hoe mensen het beste met elkaar kunnen samenleven
1. confessionalisme
2. liberalisme
3. socialisme
LIBERALISME
Franse Revolutie
1. individuele vrijheid
2. particulier initiatief
3. persoonlijke belangen: inkomens
4. VVD
5. rechts
SOCIALISME
Franse Revolutie
1. gelijkheid (sociaaldemocraten)
2. gelijke kansen (actieve kansen) Internationale solidariteit
- lage inkomens sneller stijgen dan hogere inkomens
- mannen en vrouwen verdelen het werk
3. PVDA
4. links
CONFESSIONALISME: CHRISTENDEMOCRATEN
1. Bijbelse waarden
2. rentmeesterschap: rent is iemand die het eigendom van iemand anders beheert
3. beperkte rol voor de overheid: particuliere overheid
4. een middenpositie
5. gezamenlijk verantwoordelijkheid
6. CDA
RECHT-EXTREMISME
1. ongelijkwaardigheid tussen mensen
2. sommige mensen beter dan andere mensen
3. eigen volk heerst
4. mannen en vrouwen niet gelijkwaardig
5. maken gebruik van gevoelens en onveiligheid
12. Linkse en rechtse partijen
PROGRESSIEF EN CONSERVATIEF
- links: progressief en vooruitstrevend (willen maatschappij veranderen)
- rechts: conservatief en behouden (willen zo houden)
RECHTS
1. rechts wil niet dat er heel wat verandert
2. overheid moet zich zo weinig mogelijk bemoeien
3. vrijheid is belangrijkste
LINKS
1. gelijkwaardig
2. overheid moet opkomen voor zwakkeren
3. voorrang aan milieu en economische groei
HET POLITIEKE MIDDEN
Rechts en Links gaan steeds meer naar midden:
1. milieu wordt sterk bedreigd
2. uitkeringen kosten veel geld
Belangrijk!
De verslagen op Scholieren.com zijn bedoeld als naslagwerk. Lever nooit verslagen van internet zomaar bij je leraar in. Je bent zelf verantwoordelijk voor de gevolgen van dit soort fraude.
Wij krijgen de verslagen van scholieren. Hierdoor kan het gebeuren dat er foute informatie online staat. Gebruik geschiedt dus op eigen risico. Kom je een fout tegen? Laat het ons weten.


Wat voor geldtype ben jij?
Meer weten over jezelf en je geld? Doe dan mee aan het Scholieren onderzoek van het Nibud en steun zo kinderen in arme landen!