Scholieren.com vernieuwd! Kun je niet wennen? Oude site.

Geschreven door:

Inge [meer]

Datum ingestuurd:

25 juli 2008

Woorden:

7081

Opvragingen:

603 (7 deze maand)

Waardering:

1.7/5 (3 stemmen)

Repetitie economie hoofdstuk 1 De vorming van Inkomen

§1.1 De vorming van inkomen
Vroeger was men voor een groot deel zelfvoorzienend.
Een deel van het inkomen moesten deze mensen sparen in plaats van consumeren, om zo te zorgen voor hun toekomstige inkomen.
In de loop van de tijd ontstond er echter arbeidsverdeling: men ging zich specialiseren in een bepaald onderdeel van de productie. Hierdoor kon meer geproduceerd worden in dezelfde tijd: de arbeidsproductiviteit steeg dus.
Die specialisatie maakte rul noodzakelijk, deze ruil van goederen tegen goederen noemen we directe ruil of ruil in natura.

Men ging op zoek naar een algemeen aanvaardbaar ruilmiddel: geld.
(edelmetaal, goud of zilver) dat is namelijk
1. waardevol
2. makkelijk deelbaar
3. kan niet bederven
4. iedereen wil het hebben
Handel drijven met behulp van een algemeen aanvaard ruilmiddel noemen we indirecte ruil.

Tegenwoordig zij n de meeste inkomens geldinkomens.
De meerderheid van de mensen in ontwikkelde landen is werkzaam in de industrie- en dienstensector, = gevolg van mechanisering en gebruik van bepaalde hulpstoffen zoals mest en bestrijdingsmiddelen.
Het doorvoeren van arbeidsverdeling in productieprocessen heeft, naast eerder genoemde specialisatie, geleid tot een verdere verhoging van de arbeidsproductiviteit.

Primair inkomen ( verdien je door mee te werken bij productie):
1. Loon of salaris
2. A. rente (interest) B. huur
3. Pacht
4. Winst

Wanneer we zeggen dat rente een beloning is voor kapitaal bedoelen we dus dat met het geld dat wordt gespaard kapitaalgoederen gekocht kunnen worden. Door spaargeld vast te zetten tegen rente kun je bijdragen aan het productieproces omdat
bedrijven dit geld lenen en gebruiken voor de aanschaf van kapitaalgoederen.
Bedrijven betalen over dit geleende geld rente. Die rente komt (vaak via de banken)
uiteindelijk terecht bij de gezinnen die geld gespaard hebben.

- Rente is de beloning voor het ter beschikking stellen van kapitaal.
(Kopen van kapitaalgoederen noemen we investeren Kapitaalgoederen worden gebruikt om andere goederen te produceren.)
- Huur is een vergoeding voor kapitaal
- Pacht krijg je wanneer je een stuk natuur ter beschikking stelt van producenten.
- Winst is de beloning voor ondernemersactiviteit.

Primair inkomen wordt verdiend door arbeid, kapitaal, natuur of ondernemersactiviteit ter beschikking te stellen aan het productieproces, we noemen dat productiefactoren

Het primaire inkomen is het inkomen dat verdiend wordt in het productieproces. Over dit inkomen moet nog belasting en sociale premies worden betaald. Het inkomen dat je overhoudt na betaling van belastingen en sociale premies noemen we het netto-inkomen.

Overdrachtsinkomen, is inkomen dat je ontvangt zonder bijdrage te leveren aan de productie, meestal bedoeld om tekort aan primair inkomen te compenseren.

Bij inkomen uit kapitaal kun je denken aan rente over spaargelden en aan huur die ontvangen wordt voor het verhuren van gebouwen.

§1.2 De toegevoegde waarde
De omzet is het geldbedrag dat bij meelfabrikant molenaar binnenkomt uit de verkoop van meel.
1. het is de optelsom van de toegevoegde waarde en de waarde van de ingekochte grond- en hulpstoffen.
2. prijs x verkochte hoeveelheid.

Het bedrijf is op die manier een bron van inkomen voor de verschaffers van de productiefactoren.
De waarde van de productie is dus per definitie gelijk aan de inkomens die ontstaan in een bedrijf.

Hoe moet je de toegevoegde waarde (= productiewaarde) van de overheid meten?
Het bedrag dat de overheid betaald aan ambtenaren salarissen beschouwen we als toegevoegde waarde en dus productiewaarde van de overheid.

§1.3 Balans en resultaten rekening
Belangrijke gegevens om de productiewaarde vast te stellen vinden we in de boekhouding of administratie van het bedrijf. Dat is een wettelijke plicht.

De belangrijke onderdelen van een administratie zijn de balans en de resultaten rekening (ook verlies- en winstrekening genoemd).
De balans is een momentopname van de bezittingen van een bedrijf en de vermogensbronnen warmde de bezittingen zijn betaald. De bezittingen of activa staan links op de balans, rechts staan het vermogen of activa.
Een balans is dus altijd in evenwicht.

We onderscheiden verschillende soorten bezittingen:
1. vaste kapitaalgoederen of vaste activa (grond, gebouwen, machines; kenmerk is dat ze meer dan één productieproces meegaan).
2. vlottende kapitaalgoederen of vlottende activa (gaan één productieproces mee)
3. liquide middelen of liquide activa( dit is A. het geld in de kas of B. op de lopende rekening bij een bank; kunnen direct worden gebruikt)

Rechts op de balans vind je de passiva of het vermogen, je kunt zien waar de middelen vandaan komen waarmee de bezittingen worden betaald. We onderscheiden:
1. eigen vermogen
2. vreemd vermogen (schulden; over dit vermogen kan een bedrijf tijdelijk beschikken; het moet na langere of kortere tijd worden terug betaald; leningen die pas na jaren af gelost worden noemen we lang vreemd vermogen; als het geleende geld binnen een jaar moet worden terug betaald noemen we het kort vreemd vermogen; leveranciers en schuldeisers noemen we crediteuren.)

Je kunt het eigen vermogen bepalen door des schulden in mindering te brengen op de bezittingen.

Het saldo is het verschil tussen de opbrengsten en de kosten. Zijn de opbrengsten groter dan is het saldo positief en is er winst gemaakt.
Het winstsaldo zetten we aan de kosten kant (links) en evt. het verlies saldo aan de kant van de opbrengsten (rechts).

Een positief resultaat of winst is voor de eigenaar. Is het resultaat negatief dan heeft de eigenaar verlies oftewel een negatief inkomen.
Een del van winst moet afgedragen worden aan belasting, wat overblijf is besteedbaar inkomen. Dat kan hij gebruiken voor:
1. privédoeleinden
2. in het bedrijf alten
3. nieuwe investeringen

§1.4 Van micro naar macro

Repetitie Economie Inkomen hoofdstuk 2 Inkomen en inflatie

Aantekening:
Een stijging van het nominale inkomen bereken je in geld of in procenten.
De reële inkomenstijging bereken je in procenten
Het nominale inkomen druk je uit in geld.
Het reële inkomen is het nominale inkomen gecorrigeerd voor inflatie

§ 2.1 Nominaal en reëel inkomen.
Toen al het inkomen nog inkomen in natura was, betekende een stijging van het inkomen altijd dat mensen meer konden consumeren.
Tegenwoordig is het echter mogelijk dat het geldinkomen stijgt, zonder dat je meer kunt kopen. Dat komt door prijsstijgingen.
Het inkomen gemeten in geld is nominaal inkomen. Het inkomen gemeten in goederen is het reëel inkomen.


RIC (indexcijfer reëel inkomen) = NIC (indexcijfer nominaal inkomen)
PIC (prijsindexcijfer) x 100

§2.2 de consumentenprijsindex.

CPI  geeft informatie over de ontwikkeling van het algemeen prijspeil, de inflatie
Het CBS is de gegevensverzamelaar van Nederland.
Het CBS houdt bij
1. publiceren van veel statistische gegevens
2. de prijzen van allerlei producten zich ontwikkelen.
3. waaraan de mensen hun geld uitgeven
Het CBS verzamelt door middel van een budgetonderzoek gegevens over het uitgaven patroon van gezinnen. Een aantal gezinnen houdt precies bij hoeveel geld ze aan welke artikelen uitgeven.

De wegingsfactoren geven dus aan welk deel van het inkomen aan een bepaalde groep wordt uitgegeven. Hoe groter het deel van het inkomen dat aan een bepaalde artikelgroep wordt uitgegeven, des te hoger de wegingsfactor.
Voor de berekening van het CPI houdt het CBS bij hoe prijzen zich ontwikkelen. Dit doet het CBS door prijsindexcijfers van allerlei artikelen met behulp van prijspeilingen vast te stellen.

Nominale en reële rente
Nominaal is het percentage dat bijvoorbeeld de bank vergoedt en reële rente is dan de nominale rente ‘gecorrigeerd door inflatie’.

§ 2.3 Inflatie oorzaken en gevolgen
De hoeveelheid goederen die een land in een jaar maximaal kan maken noemen we de productiecapaciteit.
Overbesteding = productiecapaciteit niet groot genoeg om aan de vraag te voldoen.
Bij overbesteding, zullen de prijzen stijgen. Deze inflatie heet 1. Bestedingsinflatie.
Een ander kenmerk van overbesteding is een overspannen arbeidsmarkt.

Er kan ook sprake zijn van onderbesteding.
De bestedingen zijn dan zo laag dat de productiecapaciteit bij lange na niet bezet is. Waar er bij overbesteding bestedingsinflatie ontstaat, daalt bij onderbesteding de inflatie of is er zelfs deflatie: een daling van het algemeen prijspeil.

Er zijn nog andere oorzaken waardoor de prijzen stijgen:
Als bijvoorbeeld de lonen of de grondstofkosten stijgen, wordt produceren duurder. De kostprijs van de producten stijgt. Producenten kunnen deze hogere productiekosten doorberekenen in prijzen, dan spreken we van 2. Kosteninflatie

Redenering:
Werknemers kunnen prijscompensatie eisen omdat ze verlies aan koopkracht hebben de winsten van de werkgevers kunnen dan dalen als de loonstijging in verhouding groter is dan de stijging van de arbeidsproductiviteit. Dan stijgen immers de loonkosten per product.  producenten verhogen prijs  werkgevers eisen weer prijscompensatie  waarna werkgevers hun winst weer op peil willen houden met een prijsverhoging..

De ze opeenvolging dan hogere lonen, en hogere prijzen noemen we de loon-prijsspiraal.

Onze producten worden duurder voor het buitenland, waardoor de export zal dalen. Dit heeft nadelige gevolgen voor de productie en de werkgelegenheid.

Waneer de inflatie veroorzaakt wordt door de hogere prijzen van geïmporteerde producten spreken we van 2B. Geïmporteerde kosteninflatie.

Naast kosten en bestedingsinflatie kennen we 3. Winstinflatie. Dan verhogen de producenten hun prijzen om hun winst te laten stijgen.

Hoge inflatie wordt als ongewenst gezien. Aan inflatie zitten namelijk een aantal nadelen:
1. inflatie heeft tot gevolg dat het geld reëel minder waard wordt: met evenveel geld kun je minder kopen.
De inkomens verschillen tussen mensen met een vast inkomen en mensen die een inkomen hebben dat wordt aangepast aan inflatie worden groter.
2. Inflatie beinvloedt het leen- en spaargedrag. Lenen van geld wordt gestimuleerd, sparen wordt afgeremd.
3. Wanneer de Nederlandse inflatie hoger is dan in het buitenland verslechterd de internationale concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven.
4. Bij hyperinflatie neemt het vertouwen in het geld af. dan gaan mensen
- A. in natura ruilen
- B. soms zie je dat men in een andere muntsoort gaat handelen

Als de prijzen dalen, spreken we van deflatie. Kan voor de economie nadelige gevolgen hebben. Omdat consumenten verwachten dat de prijzen dalen, stellen zij hun aankopen uit. De bestedingen zaken in. Daardoor daalt de productie en moeten bedrijven mensen ontslaan.

§ 2.4 Geld en banken
Aan geld heb je alleen iets als er productie tegenover staat. De nominale waarde van het geld, de waarde die op de munt of het briefje staat, zegt niet zoveel. Belangrijker is de reële waarde van het geld: wat kun je ervoor kopen?

Onder bepaalde omstandigheden kan geld de productie positief beïnvloeden:
1. de belangrijkste functie van geld is die van ruilmiddel
2. Geld heeft ook de functie van spaarmiddel of oppotmiddel.
3. De derde functie van geld is de rekeneenheid = geld wordt gebruik om de waarde van goederen en diensten uit te drukken.

Geld is een algemeen aanvaardbaar ruilmiddel. Munten en bankbiljetten zijn chartaal geld. Direct opvraagbare tegoeden die op een rekening bij de bank staan waarmee je kunt betalen met behulp van overschrijfkaart of pinpas heet giraal geld.
er zijn verschillende rekeningen: lopende rekening, rekening-courant, salarisrekening.

- Tegenwoordig wordt het overgrote deel van de betalingen giraal verricht.
- Tegoeden op spaarrekeningen rekenen economen niet tot de geldhoeveelheid.

Banken voor het betalingsverkeer hebben verschillende functies in de economie:
1. ze beheren betaalrekeningen, spaarrekeningen van hun klanten.
2. bij een bank kun je geld storen op en opnemen van zo’n rekening.
3. Je kunt geld van jouw rekening naar de rekening van iemand anders overmaken. (banken verzorgen het girale betalingsverkeer)
4. bij een bank kun je terecht als je geld wilt lenen. (banken verstrekken krediet)

Andere financiële instellingen die vermogen beheren zijn institutionele beleggers:
1. pensionfondsen  beheren het gel dat mensen, al dan niet verplicht, hebben vastgezet voor na hun 65e.
2. verzekeringsmaatschappijen  ontvangen premies van mensen die een verzekering hebben afgesloten, bijvoorbeeld een levensverzekering.
3. beleggingsinstellingen  financiële instellingen die het geld voor hun klanten in aandelen of obligaties beleggen.

Banken zijn er in alle soorten en maten. We kunnen banken in verschillende groepen indelen:
1. Algemene banken, bij deze banken kun je:
- een rekening hebben
- pinnen
- sparen
- en hypothecaire lening afsluiten, of een persoonlijk krediet neme
2. hypotheekbanken.
- verstrekken hypothecaire leningen.

Een belangrijk kenmerk van algemene banken is dat zij geld kunnen scheppen
1. geld uitlenen dat door anderen in gespaard.
2. krediet verlenen kan door geld scheppen.

De Nederlandse Bank (DNB) is de centrale bank van Nederland. Zij houdt toezicht op alle banken in Nederland. DNB is onderdeel van het Europese Stelsel van Centrale Banken, kortweg de Europese Centrale Bank (ECB) genoemd.
- DNB is in sommige opzichten zelfstandig. Zij controleert de algemene banken zodat de klanten vertrouwen blijven houden.
- In sommige opzichten is DNB ook een filiaal van de ECB. DNB is circulatiebank: zij brengt bankbiljetten in omloop.
- Een belangrijk doel van de ECB is inflatiebeheersing. Zij streeft naar een inflatie van maximaal 2%. Zij bestrijdt de inflatie met behulp van het rente instrument.

Redenering:
Door de rente te verhogen zullen mensen eerder gaan sparen en minder gaan lenen. De kredietverlening en de geldgroei blijven beperkt. Hierdoor zullen de bestedingen afnemen en dat remt de bestedingsinflatie. Het rentebeleid voort de ECD voor heel Euroland. De afzonderlijke centrale banken, waaronder DNB, kunnen geen zelfstandig rentebeleid voren.





Hoofdstuk 3 Nationaal Inkomen…
Begrippen:
Bruto binnenlands product  = nationaal inkomen (ongeveer)
Welvaart  mate waarin mensen in hun behoeften kunnen voorzien.
Schaarste  Met schaarste bedoelen economen dat iets moet worden opgeofferd om een product te maken(bv. Grondstoffen, arbeid, machines, vrije tijd).
Zwart werk  informele economie/circuit
Informele circuit/economie  vrijwilligers- en zwartwerk
Formele Circuit/economie  geregistreerde ‘productie’
Grijze circuit  vrijwilligers of doe-het-zelfwerk
Zwarte circuit  werk dat wordt verzwegen voor de fiscus, en dus niet geregistreerd
Duurzame ontwikkeling  een economische ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder welvaart van de komende generaties aan te tasten.
Beroepsbevolking  alle mensen tussen de 15 en de 65 jaar die willen, kunnen en mogen werken
Uitbreidingsinvesteringen  Investeringen die de omvang van de
Productiecapaciteit vergroten
Breedte-investeringen  investeringen waarbij de arbeidsproductiviteit gelijk blijft
Diepte-investeringen  investeringen waarbij de arbeidsproductiviteit stijgt.
Bezettingsgraad  hoeveel de productiecapaciteit bezet wordt.
Conjunctuurgolf  De schommelingen in de hoogte van het nationaal inkomen als gevolg van schommelingen in de bestedingen
Laagconjunctuur  wanneer de groei van het reële nationaal inkomen lager is dan de trendmatige groei
Trendmatige groei  De trendmatige groei is de gemiddelde groei gerekend over een langere periode.
Hoogconjunctuur  Als de groei van het reële nationaal inkomen bovengemiddeld
Recessie  afnemende groei van het nationaal inkomen
Depressie  (absolute) daling van het nationaal inkomen, dat wil zeggen dat de groei negatief is.





Welke factoren bepalen de hoogte van het nationaal inkomen? Hierbij spelen de vraagkant en de aanbodkant een rol. De schommelingen in de economie veroorzaken een conjunctuurbeweging. Hoogconjunctuur en laagconjunctuur wisselen elkaar af, met gevolgen voor inflatie, lonen, bezettingsgraad en werkeloosheid.

§3.2 Welvaart en meetproblemen

(welvaart)Middelen om de behoefte te bevredigen schieten tekort.
Daarom is er altijd spanning tussen de behoeften van mensen en de mogelijkheden om die behoeften te bevredigen. Doordat middelen tekortschieten moeten we kiezen.

Economen zeggen: kiezen uit schaarse middelen.
Met schaarste bedoelen economen dat iets moet worden opgeofferd om een product te maken(bv. Grondstoffen, arbeid, machines, vrije tijd). Schaarste heeft in het dagelijks spraakgebruik een andere betekenis, namelijk dat er een tekort aan iets is.

Het begrip welvaart gebruikt een econoom dus om aan te geven in hoeverre iemand of een heel land in zijn behoeften kan voorzien. En daarnaast willen economen de welvaart ook graag meten.

Je kunt welvaart van landen vergelijken door inkomens van landen te vergelijken. Je moet dat niet het nationaal inkomen van twee landen vergelijken, maar het nationaal inkomen per hoofd van de bevolking. Je berekent het nationaal inkomen van een land door te delen door te aantal inwoners.

Maar ook aan het reële nationaal inkomen (per hoofd) zit een aantal nadelen wanneer we de welvaart willen meten:
1. Het nationaal inkomen zegt niets over de verdeling van het inkomen.
2. Bij het berekenen van de welvaart worden bepaalde zaken niet meegerekend die welvaart wel verhogen.
A. Vrijwilligerswerk (niet geregistreerd, dus niet meegeteld)
B. Zwart werk (informele economie/circuit

(om niet geregistreerde activiteiten niet allemaal over een kam te scheren wordt wel onderscheidt gemaakt tussen het zwarte en het grijze circuit. Bij het grijze circuit gaat het bijv. om doe-het-zelfwerk of vrijwilligerswerk. Dat wordt niet geregistreerd maar is wel legaal. Bij het zwarte circuit gaat het om illegale productie: belastingen en premies worden ontdoken)

3. Producten die niet meegeteld worden maar kunnen wel de welvaart verlagen.
(bijv. als door milieuvervuiling bossen verdwijnen of de lucht en het water smerig worden kun je spreken van een lagere welvaart, maar dit komt niet tot uiting in het nationaal inkomen.)

4. Er wordt ook geen rekening gehouden met uitputting van natuurlijke hulpbronnen.

Veel mensen vinden dat het nationaal inkomen niet meer moet wordxen gebruikt om de welvaart te meten. Maar de duurzame ontwikkeling, daaronder wordt een economische ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder welvaart van de komende generaties aan te tasten.

§3.3 Wat bepaald de hoogte van het nationaal inkomen?

Waar hangt de hoogte van het nationaal inkomen vanaf?
De productiecapaciteit van een land. En die hangt af van:
a. de hoeveelheid van de productiefactoren.
b. de kwaliteit van de productiefactoren.
Arbeid:
Bij de productiefactor Arbeid gaat het om de omvang en kwaliteit van de beroepsbevolking (hoe beter geschoold de beroepsbevolking, hoe hoger de arbeidsproductiviteit).
Natuur: klimaat, bodemgesteldheid, delfstoffen en de ligging van een land.
Kapitaal: de hoeveelheid kapitaalgoederen (machine, gebouwen, vervoermiddelen etc.) en de kwaliteit daarvan.

- De hoeveelheid kapitaalgoederen betreft de omvang van de voorraad kapitaalgoederen,
- Investeringen die de omvang van de productiecapaciteit vergroten zijn uitbreidingsinvesteringen.
- Hoe moderner en beter de machines hoe hoger de arbeidsproductiviteit.
- Breedte-investeringen zijn investeringen waarbij de arbeidsproductiviteit gelijk blijft
- Diepte-investering zijn investeringen waarbij de arbeidsproductiviteit stijgt.
- Breedte-investeringen zeggen niets over de omvang van de kapitaalgoederen voorraad en dus de invloed op de productiecapaciteit.
- Bij een diepte-investering wordt het bedrijf kapitaalintensiever. Bij een breedte-investering blijft de verhouding tussen arbeid en kapitaal gelijk.

De productiecapaciteit geeft aan hoe hoog het nationaal inkomen, dat immers gelijk aan het nationaal product, maximaal kan zijn. Maar het feitelijk nationaal inkomen kan lager liggen dan de productiecapaciteit.

Hoe hoog de feitelijke productie ligt hangt af van de bestedingen



Redenering:
Als de bestedingen hoog zijn is er veel vraag naar producten en wordt er veel geproduceerd. Het nationaal inkomen is hoog en de productiecapaciteit is voor een groot deel bezet. Het omgekeerde geldt wanneer de bestedingen laag zijn. Dan wordt er weinig geproduceerd; het nationaal inkomen is laag; de productiecapaciteit is niet volledig bezet. Dit laatste noemen we onderbesteding.

Om aan te geven welk deel van de productiecapaciteit benut wordt, gebruiken we het begrip bezettingsgraad. De bezettingsgraad bereken je door de feitelijke productie te delen door de productiecapaciteit.

§ 3.4 De conjunctuur
De schommelingen in de hoogte van het nationaal inkomen als gevolg van schommelingen in de bestedingen noemen we de conjunctuur of conjunctuurgolf. We spreken van laagconjunctuur wanneer de groei van het reële nationaal inkomen lager is dan de trendmatige groei. De trendmatige groei is de gemiddelde groei gerekend over een langere periode. Als de groei van het reële nationaal inkomen bovengemiddeld is spreken we van hoogconjunctuur.

Recessie: afnemende groei van het nationaal inkomen

Depressie: (absolute) daling van het nationaal inkomen, dat wil zeggen dat de groei negatief is.

Laagconjunctuur en hoogconjunctuur hebben invloed op de bezettingsgraad en de vraag naar arbeid.
Aanhoudende hoogconjunctuur kan leiden tot oerbesteding, aanhoudende laagconjunctuur tot onderbesteding.

De overheid kan proberen om het verloop van de conjunctuur te beïnvloeden
- Aanhoudende laagconjunctuur  overheidsbestedingen vergroten, belastingen verlagen.
- Overbesteding  overheidsbestedingen verlagen, belastingen verhogen.

(Reëel inkomen = Nationaal inkomen = Reële nationaal inkomen = )

Inkomenverdeling hoofdstuk 4

§4.2 Inkomenverschillen Verklaard
Er zijn verschillende redenen waarom de inkomens tussen beroepen verschillen.
verschil in:
- productiviteit
- verantwoordelijkheid
- ervaring
- opleiding
- ruimte op de arbeidsmarkt
- status
- macht

Bij vrije beroepen zoals artsen, notarissen en apothekers, hangt de hoogte van het inkomen af van het toegestane tarief, en het aantal verrichte handelingen.

Bijv. Apothekers kunnen d.m.v. onderlinge afspraken hun inkomens hoog houden. Ze doen dit door hun medicijnen gezamenlijk in te kopen. Door kortingen op de inkoopprijs te bedingen is de inkoopprijs daardoor laag.

Behalve lonen zijn er nog andere bronnen van inkomen. Je kunt immers ook huur, pacht of rente ontvangen. Of dividend op aandelen (winstuitkering)

Hoe hoog het inkomen uit vermogen is, hangt af van twee zaken: de hoogte van het vermogen en het rendement van de belegging.

§4.3 De Lorenzkromme
Om een indruk te krijgen van de inkomensverdeling over personen of huishoudens kun je gebruik maken van een Lorenzkromme (ook wel Lorenzcurve genoemd)
(Is genoemd naar Lorenz die lijn als eerste heeft getekend)
Op de horizontale as staat het cumulatieve (opgetelde) aantal mensen met en inkomen in procenten van het totale aantal mensen, te beginnen bij de mensen met het laagste inkomen. Op de verticale as staat cumulatief hoeveel procent van het totale inkomen deze mensen verdienen. Cumuleren betekent letterlijk: opstapelen.

De Lorenzcurve is een afbeelding van de scheefheid (=ongelijkheid) van de personele inkomensverdeling. Dat is de verdeling van het inkomen over personen of huishoudens.
Hoe ver de curve van de 45-gradenlijn ligt, hoe schever de inkomensverdeling is. We zeggen wel: hoe holler de buik hoe schever de inkomensverdeling.

Lorenzcurve geeft alleen informatie over de verdeling van het inkomen. Over de hoogte van het inkomen kun je niets zeggen.

Begrippen:
- primaire sector  landbouw en visserij
- secundaire sector  industrie
- tertiaire sector  commerciële dienstverlening
- quartaire sector  niet commerciële dienstverlening
- Lorenskromme  Om een indruk te krijgen van de inkomensverdeling over personen of huishoudens kun je gebruik maken van een Lorenzkromme
- Cumuleren  percentage bij elkaar optellen.
- Cumulatief  opgeteld
- Scheefheid van een inkomensverdeling  dat is scheefheid van de verdeling van het inkomen over personen of huishoudens.
- Personele inkomensverdeling  dat is de verdeling van het inkomen over personen of huishoudens.





Repetitie Economie Hoofdstuk 5 Sociale Zekerheid

Sociale zekerheid: Het stelsel van sociale uitkeringen aan.

§5.1 Geschiedenis van de Sociale zekerheid
Tot diep in de 19e eeuw, voordat Nederland het stelsel van sociale zekerheid tot stand was gekomen, moesten mensen zich zelf zien te redden als ze ziek werden of geen werk konden vinden.
Begin 1800: Werkgevers konden betalen wat ze wilden. Er waren geen cao’s en er was ook geen wettelijk minimumloon. Werknemers maakten lange dagen en vakantie was er in de meeste gevallen niet bij.
Grote Groepen leefden zonder enige vorm van bestaanszekerheid.
Na 1850: Onder druk van opkomende arbeidersbeweging en socialistische partijen, kwamen er langzaam veranderingen tot stand. Daarnaast was er sprake van een tekort op de arbeidsmarkt: tekort aan werknemers.
De eerste sociale wetgeving vond plaats op het gebied van kinderarbeid.
Daarna over arbeidscontracten. Ook kwamen er voorzieningen voor mensen die (tijdelijk) geen werk hadden of ziek waren.
Na 1945: Het sociaal economisch overheidsbeleid omvatte onder andere doelstellingen van volledige werkgelegenheid en een rechtvaardige inkomensverdeling. De overheid nam de verantwoordelijkheid op zich voor het opbouwen van de verzorgingsstaat.
Ook nu laat de overheid nog zoveel mogelijk over aan het overleg tussen de sociale partners (werkgeversorganisaties en werknemersorganisaties)

In een volledige vrijemarkteconomie wordt alles aan het vrije spel van vraag en aanbod op de markt overgelaten. De rol van de overheid in zo’n vrijemarkteconomie is klein.
Door de sociale wetgeving slijpt de Nederlandse overheid de scherpe kantjes van de vrijemarkteconomie af.
Met de verzorgingsstaat wordt bedoeld dat de overheid een bestaansminimum voor elke burger gegarandeerd en ervoor zorgt dat de burgers toegang hebben tot onderwijs, ziekenzorg en huisvesting

In 1956 werd het begin van de verzorgingsstaat gemaakt met de Algemene Ouderdomswet (AOW). De AOW dient ervoor dat iedereen die ouder is dan 65 jaar een uitkering van de staat krijgt.
- Kapitaaldekkingsstelsel: mensen sparen zelf voor een uitkering in de toekomst.
- Omslagstelsel: dit wil zeggen dat mensen die nu een inkomen hebben de premies betalen waaruit de uitkeringen voor andere menden (ouderen) worden betaald.

In de jaren ’60 volgen de Werkeloosheidswet (WW), de Wet op de Arbeidsongeschiktheid (AOW) en de Algemene Bijstandswet (ABW).

§ 5.2 Collectief of particulier?
De regelingen binnen het socialezekerheidsstelsel zijn collectieve regelingen. Hiermee bedoelen we dat ze verplicht zijn voor iedereen die tot een bepaalde groep behoort.
Naast deze verplichte, collectieve regelingen bestaan er tal van vrijwillige, particuliere verzekeringen.
Particulier verzekering: verzekeringspremie kan per geval verschillen. Een verzekering kan geweigerd worden.
Bij Collectieve verzekeringen is het niet mogelijk iemand vanwege een hoger risico uit te sluiten of meer te laten betalen dan anderen. We hang t de premie voor een collectieve verzekering af van het inkomen: hoe hoger het inkomen hoe meer premie iemand betaald.

Wanneer mensen niet verplicht verzekerd zouden zijn, zouden sommige mensen in de verleiding kunnen komen maar helemaal geen particuliere verzekering af te sluiten.

Bij collectieve verzekeringen speelt solidariteit een rol: mensen met een grote kans op ziekte betalen evenveel ziektekostenpremie als kerngezonde mensen en werkenden die waarschijnlijk nooit werkeloos worden.
Er word bij collectieve verzekeringen niet gekeken naar het risico dat je loopt om ooit van zo’n verzekering gebruik te maken.



Collectieve verzekeringen verzekeren dus iedereen van een bepaalde groep. Aan de ene kant zorgen de collectieve verzekeringen zo voor de bescherming van individuen tegen het risico van niet verzekerd zijn. Aan de andere kant zorgen de collectieve verzekeringen ervoor dat de verzekeringen voor iedereen betaalbaar blijven. Bij particuliere verzekeringen (die immers niet verplicht zijn) kan namelijk ‘averechtse selectie’ optreden. Dit is het verschijnsel dat mensen die weinig risico lopen zich niet verzekeren. De mensen die zich wel verzekeren zijn de mensen die meer risico lopen (de ‘slechte risico’s’). De premies zullen dan stijgen.

Stijging van de premie gevolg van averechtse selectie is een maatschappelijk nadeel dat kan optreden bij particuliere verzekeringen.
Nadelen:
- dat mensen zich onverantwoordelijk gedragen omdat ze zelf niet opdraaien voor de (financiële) gevolgen.
- ‘moral hazard’ (moreel gevaar)

§5.3 De regelingen van de sociale zekerheid

Er zijn verschillende verzekeringen zoals:
1. De werknemersverzekeringen
2. De volksverzekeringen
3. De sociale voorzieningen

Sociale voorzieningen en sociale verzekeringen:
Sociale uitkeringen bestaan uit
1. sociale verzekeringen
2. sociale voorzieningen

De sociale voorzieningen worden betaald uit de algemene middelen de (belastingspot). De meeste sociale verzekeringen worden betaald uit sociale premies.
We verdelen sociale verzekeringen onder in:
A. werknemersverzekeringen
B. Volksverzekeringen

A. werknemersverzekeringen:
D werknemersverzekeringen gelden alleen voor werknemers. Als je niet in loondienst werkt kun je geen gebruik maken van deze verzekeringen.
We onderscheiden:
1. de Werkeloosheidswet (WW)
2. de Ziektewet (ZW)
3. de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), voorheen de WAO
4. de Zorgverzekeringswet (ZVM); is deels een werkenemersverzekering.

1. De werkloosheidswet (WW) hangt het inkomensverlies (het gederfde inkomen) op als je werkloos bent.

2. Bij ziekte vallen bepaalde groepen werkenden, namelijk diegenen die geen werkgever (meer) hebben, onder de Ziektewet (ZW)
- ook de ziekte wet dient voor het opvangen van inkomensverlies.
- de verplichting tot loondoorbetaling kan de werkgever ook verzekeren bij een particuliere verzekeringsmaatschappij en valt dus niet onder de sociale zekerheid.

3. De vroegere arbeidsongeschiktheidswet (WAO) heet nu de ‘Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen’ de WIA
- de nadruk van arbeidsongeschiktheid is verschoven naar arbeidsgeschiktheid
- als iemand minder dan 20% van zijn loon kan volbrengen valt hij/zij onder de Inkomensregeling Volledig Arbeidsongeschikten (IVA)

4. De Ziekenfondswet (ZFW) is vervangen door de Zorgverzekeringswet (ZVW). Iedereen vanaf 18 jaar moet zich verzekeren voor basisziektekosten via de Zorgverzekeringswet (ZVW)
- acceptatieplicht geldt voor ziektekostenverzekeraars
- voor mensen met geen of een laag inkomen wordt een deel van de premiekosten vergoedt (de ‘zorgtoeslag’)
- De bedoeling van de ZVW is dat de ziektekostenverzekeraars meer met elkaar gaan concurreren. Zij moeten zelf afspraken maken met zorgaanbieders
- werknemersverzekeringen worden alleen door werknemers betaald, volksverzekeringen door iedereen die een inkomen heeft.

B. Volksverzekeringen
De volksverzekeringen betreft de regelingen waar iedereen die legaal in Nederland verblijft onder bepaalde omstandigheden recht op heeft.
1. de Algemene Ouderdomswet (AOW)
2. de Algemene nabestaandenwet (Anw)
3. de Algemene Kinderbijslagwet (AKW)
4. de Algemene Wet Bijzonder Ziektekosten (AWBZ)

1. De Algemene Ouderdomswet (AOW) is een belangrijke volksverzekering. Iedereen van 65 jaar en ouder heeft recht op AOW. De AOW wordt betaald uit premies die de mensen die op dat moment werken, betalen Dit heet het omslagstelsel
(aanvullend pensioen, wordt betaald uit een bedrag wat tijdens werk bij een bedrijf of overheid gespaard is en dat wordt belegd, uit de opbrengst daarvan wordt in de toekomst het pensioen betaald= kapitaaldekkingsstelsel)

2. De Anw regelt het recht op een uitkering voor nabestaanden: als ouders of de partner overlijdt zijn die verzekerd van een inkomen.

3/4 De Kinderbijslag (AKW) en de AWBZ vergoeden respectievelijk de (hoge) kosten van kinderen en van bijzondere ziektekosten (psychiatrische verpleging, dagverblijven gehandicapten, zorgcentra).
- Met de kinderbijslagwet is iets bijzonders aan de hand, het is wel een volksverzekering maar er worden geen premies voor betaald. De financiering van de AKW geschiedt uit de belastingpot. (karakter van sociale voorziening).
- Werknemersverzekeringen worden alleen door werknemers betaald, volksverzekeringen door iedereen die inkomen heeft.









C. sociale voorzieningen
Sociale voorzieningen worden via de overheid betaald met belastinggeld.
De belangrijkste sociale voorziening is Wet Werk en Bijstand (WWB)
- Je hebt recht op bijstand als je gaan inkomen hebt en voor geen enkele anders regeling van de sociale zekerheid in aanmerking komt.
- Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)

Waardevast of welvaartsvast
Als je over langer tijd in euro’s hetzelfde zou verdienen, blijft je nominale inkomen weliswaar gelijk maar je reële inkomen daalt.
- Een mogelijke oplossing om koopkrachtverlies te mijden is de uitkeringen te koppelen aan de hoogte van de prijsstijgingen (de inflatie). Bij zulke –geïndexeerde- uitkeringen spreken we van de waardevaste uitkeringen.
- Een uitkering die gekoppeld is aan de stijging can de cao-lonen noemen we een welvaartsvaste uitkering

Onderdeel van de sociale zekerheid is het minimumloon.
Door het minimumloon durven werkgevers vaak geen werknemers voor laaggeschoold werk aan te nemen.

§5.4 De kosten van de sociale zekerheid
Als je een inkomen ontvangt ben je verplicht een dele af te dragen aan de collectieve sector die bestaat uit de instellingen van de sociale zekerheid en de overheid samen.
Dit gebeurd in de vorm van sociale premies en belasting. (worden samen ook wel collectieve lasten genoemd) de belastingsinkomsten worden door de overheid gebruikt voor allerlei verschillende doelen.
De sociale premies worden helemaal gebruikt om uitkeringen mee te betalen.

Het inkomen dat je verdient voordat je belasting en sociale premies hebt betaald, wordt het bruto-inkomen genoemd. Het inkomen dat je na aftrek van belastingen en premies overhoudt is je netto-inkomen.

De loonkosten bestaan uit het brutoloon en de sociale premies die de werkgever betaalt.
Het verschil tussen de loonkosten en het nettoloon zijn de belastingen en premies. Dit verschil tussen loonkosten en nettoloon wordt de wig genoemd.

Het bedrag dat iemand van zijn bruto-inkomen afdraagt aan belastingen en sociale premies, hangt vooral af van de hoogte van zijn inkomen. Mensen met een hoger inkomen moeten meer betalen. Ook het percentage van hun bruto-inkomen dat ze moeten afdragen is hoger. Althans bij een progressief belastingstelsel


Hoofdstuk 6 De overheid
De premies die je moet betalen worden gebruikt om sociale verzekeringen te betalen.

§ 6.1 De inkomsten van de overheid
We kunnen de belastinginkomsten van de overheid indelen in:
1. Directe belastingen: belastingen die je betaald over je inkomen, winst en vermogen. Ze worden direct door de belastingplichtige betaald
2. Indirecte belastingen: kostprijsverhogende belastingen, deze belastingen worden door de consument betaald maar via de bedrijven aan de overheid afgedragen

1. Indirecte belastingen:
A. de loon- en inkomstenbelasting
- de loonbelastingen is een voorheffing op de inkomstenbelasting. Inkomsten
Belasting betaal je achteraf, eenmaal per jaar)
- Heb je meer loonbelasting betaald dab je aan inkomstenbelasting hoeft te betalen, dan krijg je geld terug van de fiscus (belastingdienst), dit kan aftrekposten voorkomen.
B. Naast inkomensbelasting over inkomen uit arbeid is er ook inkomstenbelasting over inkomen uit bezit. Bijvoorbeeld geld op een spaarrekening of aandelen.
C. Inkomen uit vermogen
D. Vennootschapsbelasting, is belasting die NV’s en BV’s betalen over hun winst.

2. Indirecte belastingen:
A. Belasting op toegevoegde waarde (btw) is de belangrijkste indirecte belasting de bedrijven berekenen dit bedrag door aan de klant.
B. de accijns, de overheid heft accijns met twee doelen voor ogen:
- de overheidsinkomsten vergroten
- het gebruik van schadelijke producten afremmen.
C. Belastingen op milieu zijn belastingen die schadelijk zijn voor het milieu. Door het heffen van kostprijsverhogende belastingen op vervuilde producten en het geven van subsidies aan milieuvriendelijke producten kan de overheid proberen een verschuiving in het bestedingspatroon van de consument teweeg brengen.
D. Invoerrechten, zijn belastingen op ingevoerde producten.
E. motorrijtuigenbelasting

Overige inkomsten van de overheid:
- Zo zijn de NAM (Nederlandse Aardoliemaatschappij) en de DNB (De Nederlandse Bank) in handen van de overheid. De winsten van deze overheidsbedrijven, die ontstaan uit de verkoop van aardgas en bankdiensten, zijn opbrengsten voor de overheid
- Retributies zijn individuele diensten van de overheid (bijv. aanvraag id./paspoort)
- Boetes

Het verschil tussen retributies en belastingen is dat er bij retributies er een directe tegenprestatie is, bij belastingen is dat niet.

§ 6.2 de uitgaven van de overheid
Naast de rente op de staatsschuld en de rijksbijdrage in het Gemeente- en Provinciefonds staan de uitgaven van de departementen (ministeries) vermeld.

Het ministerie van Sociale Zaken betaald alle bijstandsuitkeringen en kinderbijslag

Naast de departementale indeling van de overheidsuitgaven, kunnen de overheidsuitgaven ook verdeeld worden in soorten uitgaven. De overheidsuitgaven worden dan uitgesplitst in:
1. Overdrachtsuitgaven: waar geen tegenprestatie tegenover staat.
2. Overheidsbestedingen: waar wel een tegenprestatie tegenover staat.

De overheidbestedingen zijn weer onder te verdelen in:
- Overheidsinvesteringen: uitgaven aan projecten en kapitaalgoederen waar de samenleving lange tijd profijt van heeft.
- Overheidsconsumptie: omvat de lopende uitgaven van de overheid zoals ambtenarensalarissen (personele overheidsconsumptie) en uitgaven om dat overheidsorganen zelf draaiende te houden zoals verwarming, stoelen en koffiebekertjes, maar ook defensie-uitgaven voor bommen en vliegtuigen (materiële overheidsconsumptie)



§ 6.3 De begroting van de overheid
Prinsjesdag, daar opent de koningin het nieuwe werkjaar van de Staten-Generaal (Eerste en Tweede Kamer) daarna spreekt ze de troonrede uit.
Troonrede: een overzicht van de plannen van de regering voor het komend kalenderjaar.
Rijksbegroting: een overzicht van de verwachte inkomsten en uitgaven van de overheid
Miljoenennota: een toelichting op de begroting.

Adviesorganen.
Als het gaat om sociaaleconomisch beleid laat zij zich vooral adviseren door:
1. CPB (Centraal Plan Bureau)
2. CBS (Centraal Bureau voor Statistiek)
3. SER (Sociaal Economische Raad)

Zoals voor iedere wet geldt ook voor de begroting dat zij pas kan worden uitgevoerd wanneer de Eerste en Tweede Kamer er hun goedkeuring aan hebben gegeven.
Hierbij geldt dat:
- De Tweede Kamer op onderdelen wijzigingsvoorstellen (amendementen) kan indienen.
- En de Eerste Kamer alléén de begroting in zijn geheel kan goedkeuren of afkeuren.

De rijksbegroting is een overzicht van de inkomsten en de uitgaven die de overheid van plan is te gaan doen in een bepaald jaar.
Meestal zijn de uitgaven groter dan de inkomsten. Er is dan een begrotingstekort. Bij een tekort moet de overheid geld lenen. Hierdoor neemt de staatsschuld toe.

De rijksoverheid in NL leent meestal geldt door staatsobligaties uit te geven. De Staatsobligaties hebben een van tevoren afgesproken rente van en een van tevoren afgesproken looptijd. Aan het einde van de looptijd van de lening wordt het geleende geld terug betaald. Dit heet aflossen van de lening.

Lenen zorgt voor toename van de staatsschuld, aflossen zorgt voor een afname van de staatsschuld. Zolang elk jaar de begrotingstekorten groter zijn dan de aflossingen op de staatsschuld zal de staatsschuld stijgen.
Deze toename van de staatsschuld is gelijk aan het financieringstekort: dat is het begrotingstekort min de aflossingen op de staatsschuld. Het financieringstekort geeft aan hoeveel euro de overheid extra moet lenen op de kapitaalmarkt.

Bij de aanbieding van de begroting voor het komende jaar worden de verwachte inkomsten en uitgaven gepresenteerd. De feitelijke uitgaven kunnen pas achteraf worden vastgesteld.

Door meevallers bij bijv. belasting kan het financieringstekort omslaan in financieringsoverschot.

De overheid leent geld om tekort te dekken. Staatsobligaties zijn schuldbewijzen van de overheid met een vaste rente en een lange looptijd.

Hoe langer je geld uitleent, hoe hoger het rentepercentage is. Hiervoor zijn verschillende redenen:
1. het risico, er is een kans dat je het niet terug krijgt, hoe langer de termijn hoe groter die kans.
2. hoe langer dat je geld uitleent, hoe langer het duurt voor je zelf weer over kunt beschikken.

Het rijk leent niet alleen bij de burgers via uitgifte van staatsobligaties, maar vooral ook bij pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen.
Deze bedrijven beleggen hun geld in aandelen en obligaties. Ze beleggen graag in staatsobligaties omdat die weinig risico geven.
Pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen worden institutionele beleggers genoemd.





§ 6.4 Bezuinigingen
Redenatie:
Door de economische crises en de jaren ’70 en begin jaren ’80 waren de overheidstekorten sterk gestegen. Wanneer het slecht gaat met de economie is het nationaal inkomen lager dan verwacht. De bedrijven malen weinig winst of zelfs verlies wat tot faillissementkan leiden. Hierdoor loopt de werkloosheid op. Voor de overheid betekend dit dat in zo’n periode de belastinginkomsten tegenvallen (burgers en bedrijven verdienen en kopen namelijk minder), terwijl de uitgaven stijgen omdat er meer uitkeringen moeten worden betaald. Het gevog hiervan is dat het financieringstekort stijgt.

Nadelen financieringstekort:
1. De overheid moet veel geld lenen
2. En dus in de toekomst veel rente betalen
3. Dat geld kan nu niet voor andere zaken als onderwijs, zorg of milieubeleid uitgegeven worden.
4. het kan de rentestand opdrijven.

Redenatie:
Een grotere vraag naar leningen, bij gelijkblijvend aanbod, kan de prijs van leningen, het rentepercentage, opdrijven. En dit heeft weer nadelige gevolgen voor de economie als geheel. Een hogere rente maakt lenen duurder en zorgt er dus voor dar er minder geleend wordt. Veel consumenten lenen voor de aanschaf van auto’s of huizen en bedrijven lenen vaak om te investeren. Een hogere rente kan tot gevolg hebben dat de bestedingen van consumenten en bedrijven inzakken. Dit kan leiden tot minder productie en dus minder werkgelegenheid.

Redenatie:
Om het financieringstekort te verkleinen kan de overheid twee dingen doen:
de belastingen verhogen en/of de uigaven matigen. De daling van het financieringstekort wordt momenteel vooral tot stand gebracht door bezuinigingen. Voor belastingverhoging wordt niet gekozen omdat dit kan leiden tot hogere loonkosten. Hogere loonkosten doen de concurrentiepositie t.o.v. het buitenland verslechteren wat ten koste kan gaan van de export en de werkgelegenheid

Financieringsoverschot, kwam door bezuinigingen een aanhoudende hoogconjunctuur, waardoor de belastingen hoger uitvielen dan verwacht en de overheidsuitgaven lager uitvielen dan verwacht.

Door deze meevallers op de begroting verdwenen de financieringstekorten en daalde de staatsschuld zowel als percentage van het nationaal inkomen als in euro’s. Hierdoor hoeft de overheid in de toekomst minder rente te betalen en kan zij makkelijker de kosten van de vergrijzing betalen.


Samenvatting Hoofdstuk 7 De inkomsten Belasting

De overheid beïnvloed de primaire inkomensverdeling op verschillende manieren.
1. als werkgever
2. door belastingheffing en sociale zekerheid

§7.1 Overheidsingrijpen in de inkomensverdeling
De overheid kan op verschillende manieren de personele inkomensverdeling (dat is de verdeling van het inkomen over personen en gezinnen) beïnvloeden:
1. De overheid bepaald zelf het minimumloon
2. bovendien verklaart de overheid de cao-afspraken algemeen verbindend.
3. ook kan de overheid gebruik maken van een loonmaatregel
4. oefent invloed uit doordat ze zelf werkgever is
De genoemde maatregelen beïnvloeden de verdeling van het primaire inkomen.
5. via het belastingsstelsel maar ook met het sociale zekerheidsstelsel.

§7.2 Progressief belastingsstelsel
De overheid vraagt belasting van burgers en bedrijven om de overheidsuitgaven te kunnen betalen. Daarnaast probeert de overheid de inkomensverschillen te verkleinen, door de wijze waarop de inkomensbelasting wordt geheven. Het in verhouding kleiner maken van de inkomensverschillen heet nivelleren.
Omgekeerd spreken we van denivelleren, wanneer de inkomensverschillen relatief groter worden.

Met progressief wordt in dit geval bedoeld dat iemand in verhouding een hoger percentage moet betalen als het inkomen hoger is.

Een belastingsstelsel kan ook proportioneel zijn. Proportioneel wil zeggen dat iedereen hetzelfde percentage (=tarief) aan belasting betaald over zijn inkomen. Het tegenovergestelde van een progressief stelsel is een degressief stelsel. Degressief betekend dat het deel van je inkomen dat als belasting moet worden afgedragen daalt naarmate je inkomen stijgt.



§7.3 De inkomstenbelasting 3 boxen
Belasting over inkomen wordt geheven in drie verschillende ´boxen´. Iedere box heeft zijn eigen soort belastingheffing.
1. In box 1 word inkomen over arbeid belast.
2. in box 2 wordt de winst bhelast van aandeelhouders die meer dan 5% van de aandelen van een NV ob BV hebben
3. in box dire zitten de inkomens die voortvloeien uit sparen en beleggen.

§7.3.1 Box 1: de inkomensheffing op werk en woning
De inkomensheffing is het bedrag dat je aan belasting en premie over je inkomen betaald. De inkomensbelasting en de premies voor de volksverzekeringen worden tegelijkertijd geheven.

Druk je de inkomensheffing uit als percentage van het inkomen dan spreekt men van belasting- en premiedruk.

er is de mogelijkheid dat je recht hebt op een aantal aftrekposten. aftrekposten zijn bepaalde uitgaven die je hebt gemaakt:
1. de rente die betaald over de hypotheek van je eerste huis
2. (een deel van) de reiskosten die je maakt om naar je werk te reizen
3. bepaalde kosten voor je studie
4. giften aan goede doelen
5. bijzondere ziektekosten
De aftrekposten mag je in mindering brengen op je bruto-inkomen. Over het bedrag van de aftrekposten hoef je dus geen belasting te betalen. je houdt dan het belastbaar inkomen over.

Belangrijk!
De verslagen op Scholieren.com zijn bedoeld als naslagwerk. Lever nooit verslagen van internet zomaar bij je leraar in. Je bent zelf verantwoordelijk voor de gevolgen van dit soort fraude.

Wij krijgen de verslagen van scholieren. Hierdoor kan het gebeuren dat er foute informatie online staat. Gebruik geschiedt dus op eigen risico. Kom je een fout tegen? Laat het ons weten.

Zoeken zoeken

geef je mening: Jij en je geld

Wat voor geldtype ben jij?


Als ik iets wil en ik heb geen geld dan leen ik het

Wat ik heb aan geld, geef ik direct uit

Ik spaar eerst voordat ik iets koop

Ik vind het best moeilijk om mijn geld uit te geven, ik spaar liever

Ik denk goed na voordat ik geld uitgeef


Meer weten over jezelf en je geld? Doe dan mee aan het Scholieren onderzoek van het Nibud en steun zo kinderen in arme landen!

nieuwsbrief

Elke maand onze nieuwsbrief in je mailbox?