Scholieren.com vernieuwd! Kun je niet wennen? Oude site.

Geschreven door:

anoniem [meer]

Datum ingestuurd:

25 juli 2008

Woorden:

4477

Opvragingen:

829 (4 deze maand)

Waardering:

4.0/5 (4 stemmen)

Economie Repetitie Hoofdstuk 1&2

Begrippen Hoofdstuk 1 (de arbeidsmarkt op):
• Aanbod van arbeid  alle mensen tussen de 15 en de 65 jaar die willen, kunnen en mogen werken.
• Aanzuigeffect de beroepsbevolking groeit omdat de kans op een baan groter is
• Abstracte markt omvat het geheel van vraag en aanbod zonder dat er een plaats is waar de vragers en aanbieders elkaar ook echt ontmoeten.
• Arbeidsjaren een volledige baan
• Arbeidsmarkt waar vraag en aanbod bij elkaar komen en de prijs (het loon) tot stand komt
• Beroepsbevolking alle mensen tussen de 15 en de 65 jaar die willen kunnen en mogen werken
• Beroepsgeschikte bevolking alle mensen tussen de 15 en de 65 jaar
• Centrum voor Werk en Inkomen een instelling van de overheid, als je daarbij bent ingeschreven ben je officieel werkloos.
• Concrete markt vragers en aanbieders van en bepaald product elkaar ontmoeten
• Deelnemingspercentage ……beroepsbevolking…..
Beroepsgeschikte bevolking
• Demografische factoren
• Deeltijdwerk werkt een vast aantal uren per week maar minder dan een volledige baan.
• Krappe arbeidsmarkt als de vraag naar arbeid groter is dan het aanbod
• Niet-beroepsbevolking  mensen tussen de 15 en 65 jaar die niet werken én niet op zoek zijn naar werk.
• Ontmoedigingseffect  de beroepsbevolking daalt omdat er een kleiner kans op een baan is
• Organisatie van het arbeidsproces door betere kinderopvang en betere mogelijk heden door deeltijdwerk, stijging van arbeidsaanbod
• Participatiegraad zie deelnemingspercentage…
• Potentiële beroepsbevolking alle mensen tussen de 15 en de 65 jaar.
• Ruime arbeidsmarkt het aanbod van arbeid is groter dan de vraag naar arbeid.
• Vacatures als een bedrijf op zoek is naar een werknemer voor een bepaalde functie.
• Vraag naar arbeid de vraag naar werknemers en de arbeidskracht van zelfstandigen en de openstaande vacatures.
• Werkgelegenheid alle werknemers en zelfstandigen bij elkaar opgeteld.
• Werkloze beroepsbevolking geregistreerde werklozen.
• Werkzame beroepsbevolking zelfstandigen en werknemers
• Werknemers mensen die al een baan hebben
• Zelfstandigen mensen met een eigen bedrijf.

1.2 het aanbod van arbeid
Het aanbod van arbeid bestaat uit alle mensen tussen de 15 en 65 die willen, kunnen en mogen werken, een ander woord voor het aanbod van arbeid is beroepsbevolking.
Het aanbod van arbeid: 1. Werklozen 2.Werknemers, 3.Zelfstandigen.
Je bent pas officieel werkloos als je ingeschreven staat bij een Centrum voor Werk en Inkomen (CWI), een instelling van de overheid.
De bevolking tussen de 15 en de 65 jaar wordt onderverdeeld in de beroepsbevolking en niet-beroepsbevolking . De beroepsbevolking wordt onderverdeeld in werkzame beroepsbevolking (zelfstandigen & werknemers) en de werkloze beroepsbevolking (geregistreerde werklozen)
Bij de niet beroepsbevolking horen alle mensen tussen de 15 en de 65 jaar die niet werken en niet op zoek zijn naar werk.
Beroepsgeschikte bevolking = potentiële bevolking = alle mensen tussen de 15 en de 65 jaar.
Deelnemingspercentage = participatiegraad = ……beroepsbevolking….
Beroepsgeschikte bevolking



De beroepsbevolking in Nederland groeit elk jaar:
1. demografische groei. (meer mensen in beroepsgeschikte leeftijd)
2. maatschappelijke opvattingen. (meer jonge vrouwen gaan werken, en ook herintreders)
3. stand van de economie. (meer kans op een baan, hoopvoller)
4. wetgeving. (leerplicht en pensioenleeftijd)
5. organisatie van het arbeidsproces. (kinderopvang, en werken in deeltijd)

1.3 De vraag naar arbeid.
Vraag naar arbeid door bedrijven en de overheid.
Totale vraag naar arbeid is dus:
1 Vraag naar werknemers
2 Vraag naar arbeidskracht van zelfstandigen
3 Openstaande vacatures.
Dat de vraag naar arbeid wordt beïnvloed door
1 De groei van de economie.
2 De stand van de techniek
3 De loonkosten




1.4 de arbeidsmarkt
Als vraag en aanbod bij elkaar komen komt er een prijs (=het loon) tot stand
 concrete arbeidsmarkt: waar vragers en aanbieders elkaar op een bepaalde plaats ontmoeten.
 Abstracte markt: omvat het geheel van vraag een aanbod zonder dat er een plaats is waar vragers en aanbieders elkaar ontmoeten, de vraag en aanbod bepalen de prijs.
Werkgelegenheid (mensen die daadwerkelijk werk verrichten) = alle werknemers en zelfstandigen bij elkaar op geteld.
Arbeidsjaar = een volledige baan
Het aantal werknemers en zelfstandigen in personen is groter dan het aantal arbeidsjaren, omdat veel mensen hun arbeidskracht in deeltijd aanbieden.
Als de vraag naar arbeid groter is dan het aanbod van arbeid dan spreken we van een krappe arbeidsmarkt.

1.5 arbeidsmarkt in de praktijk
Werkeloosheid nog steeds maatschappelijk probleem
Factoren die van belang zijn bij de kans om te slagen op de arbeidsmarkt:
1 opleiding
2 vrouw of allochtoon



Hoofdstuk 2 Loondienst of zelfstandig

2.1 de ene baas is de andere niet.
Het merendeel van de mensen die werken zijn in loondienst bij een bedrijf of bij de overheid: de werknemers. Daarnaast zijn er een flink aantal zelfstandigen met een eigen bedrijf.
Bij de notaris worden de statuten van een vereniging vastgelegd. De statuten zijn regels van een vereniging. Een vereniging is een rechtsvorm d.w.z. een vereniging is een organisatie- vorm die in de wet voorkomt. Een ondernemingsvorm is de rechtsvorm van de onderneming.
De vier belangrijkste ondernemingsvormen zijn:
1 eenmanszaak
2 vennootschap onder firma.
3 Besloten vennootschap
4 Naamloze vennootschap

1) Eenmanszaak:
Kenmerken:
 Één eigenaar.
 Voldoende startvermogen hebben.
 Privé aansprakelijk voor eventuele schulden.
Voordelen:
 eenvoudig manier van beginnen
 Je kunt zonder last van anderen belangrijke beslissingen nemen
 Je kunt de hele winst voor jezelf houden
Nadelen:
 Privé-aansprakelijkheid
 Het voortbestaan van de eenmanszaak komt in gevaar als de eigenaar overlijdt

2) vennootschap onder firma:
Kenmerken:
 meerdere eigenaren
 alle eigenaren zijn met hun privévermogen aansprakelijk voor de schulden.
 De mogelijkheden om geld te lenen bij een vof zijn groter dan bij een eenmanszaak.


3) Besloten vennootschap:
Kenmerken:
 Scheiding tussen de leiding en de personen die eigenaar zijn. Ze zijn juridisch zelfstandig
 Eigenaren zijn niet met hun privévermogen aansprakelijk voor schulden
 De aandeelhouders zijn de eigenaren. Een aandeel is een eigendomsbewijs van een bedrijf. Als aandeelhouder ontvang je een deel van de winst: het dividend.
 Aandelen staan op naam.
 Directeuraandeelhouder: als aandeelhouder zijn zij de eigenaar van het bedrijf maar ze hebben als directeur ook de dagelijkse leiding over het bedrijf.
 Als het bedrijf failliet gaat zijn de aandeelhouders alleen het ingelegde bedrag kwijt, meer niet.

4) Naamloze vennootschap:
Kenmerken:
o Scheiding tussen de leiding en de personen die eigenaar zijn. Ze zijn juridisch zelfstandig
 Eigenaren zijn niet met hun privévermogen aansprakelijk voor schulden
 De aandeelhouders zijn de eigenaren. Een aandeel is een eigendomsbewijs van een bedrijf. Als aandeelhouder ontvang je een deel van de winst: het dividend.
 de aandelen staan niet op naam,
 dus zijn ze vrij verhandelbaar
 de aandeelhouders zijn de eigenaren van de NV de meesten bemoeien zich nauwelijks met het bedrijf.
 Door verkoop van aandelen kunnen de aandeelhouders dan koerswinst maken.



2.2 de arbeidsovereenkomst
Een arbeidsovereenkomst is een overeenkomst tussen werkgever en werknemer
In een individuele arbeidsovereenkomst worden loon en arbeidstijd vastgelegd. Voor het overige wordt verwezen naar de collectieve arbeidsovereenkomst (cao)
Het zou nogal wat problemen opleveren als iedere werkgever individueel over alle arbeidsvoorwaarden moesten onderhandelen omdat:
 Tijdrovend
 Jij als individuele werknemer staat niet erg sterk tegenover je werkgever.
In een cao staan alle rechten en plichten van alle werknemers en werkgevers.
Hierin worden zaken geregeld als:
 Vakantie
 Pensioen
 overuren
 data van loonsverhoging
Een bedrijfstak omvat alle bedrijven die zich bezighouden met een zelfde soort productie.
Namens de werknemers onderhandelen de vakbonden (werknemersbonden, vakverenigingen)
Namens de werkgevers onderhandelen de werkgeversbonden.
In een individuele arbeidsovereenkomst en in een collectieve arbeidsovereenkomst maken werkgevers en werknemers afspraken over de arbeidsvoorwaarden zoals:
1. Primaire arbeidsvoorwaarden
 loon
 normale arbeidstijd
2. Secundaire arbeidsvoorwaarden
 vb. vakantieregelingen, reiskostenvergoeding, auto van de zaak enz.


2.3 Het centraal akkoord
De rijksbegroting is een overzicht van inkomsten en uitgaven van de overheid. Naast de rijksbegroting wordt ook de miljoenennota gepresenteerd. De miljoenennota is een soort samenvatting van de rijksbegroting
Als bijv. de overheid de inkomstenbelasting omhoog verhoogt, houden werknemers van hun brutoloon netto minder over. De koopkracht van de werknemer daalt, waardoor bedrijven minder verkopen (dus hun afzet daalt)
Daarom organiseren de vakbonden zich in een werknemerscentrale en de werkgevers in een werkgeverscentrale. De vertegenwoordigers van de centrales overleggen samen in de Stichting van de Arbeid. I.p.v. werknemers en werkgevers gebruiken we vaak de term sociale partners.
Als de vertegenwoordigers van de werknemers en werkgevers met elkaar praten in de stichting van de Arbeid, noemen we dat ook wel centraal overleg. Dat wordt gevoerd over de hoofdlijnen van de arbeidsvoorwaarden.
Dit centraal akkoord wordt vervolgens bij de cao onderhandelingen per bedrijfstak verder uitgewerkt door vakbonden en werkgeversbonden.
Een cao geld in de eerste instantie alleen voor bedrijven die lid zijn van de werkgeversbond die de cao heeft afgesloten. Dit kan tot ongewenste gevolgen leiden. Om zo´n gevolg tegen te gaan, kan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een cao algemeen bindend verklaren. De cao geld dan ook voor bedrijven die geen lid zijn van een werkgevers bond.

Begrippen hoofdstuk 2:
 Aandeelhouder: eigenaren van een BV of NV
 Arbeidsovereenkomst: overeenkomst tussen werknemer en werkgever.
 Arbeidstijd: 38 uur per week, bij en volledig baan
 Arbeidsvoorwaarden: loon en normale arbeidstijd. (Etc.)
 Bedrijfstak: omvat alle bedrijven die zich bezighouden met dezelfde soort productie.
 Collectieve arbeidsovereenkomst: daar staan de rechten en plichten van werkgever en
werknemer zwart op wit.
 Directeurgrootaandeelhouder: zijn eigenaar van de BV maar hebben ook de dagelijkse
leiding over het bedrijf.
 Dividend: deel van de winst.
 Individuele arbeidsovereenkomst: daarin worden het loon en de arbeidstijd vastgelegd.
 Ondernemingsvorm: een rechtsvorm van de onderneming
 Organisatiegraad: het percentage van werknemers dat is aangesloten bij een erkende
vakbond.
 Primaire arbeidsvoorwaarden: het loon en de normale arbeidstijd.
 Rechtsvorm: een organisatie vorm die in de wet voorkomt
 Secundaire arbeidsvoorwaarden: alle dingen buiten loon en arbeidstijd
 Vakbond: bonden die onderhandelen namens werknemers
 Werkgeversbonden: bonden die onderhandelen namens weknemers
 Centraal overleg: door centrales van werkg. en werkn. Over hoofdlijnen van de cao.
 Miljoenennota: soort samenvatting van de rijksbegroting
 Rijksbegroting: overzicht van inkomsten en uitgaven van de overheid voor het komende jaar
 Sociale partners: werkgevers en werknemers
 Stichting van de Arbeid: (centraal overleg)
 Vakcentrale: vakbonden georganiseerd in een werknemerscentrale
 Werkgeverscentrale: werkgeversbonden georganiseerd in een werkgeverscentrale.

Hoofdstuk 3 De strijd om de poen.

Begrippen:
 Afzet: verkochte hoeveelheid
 Arbeidsproductiviteit: gemiddelde productie per werknemer per gewerkte tijdseenheid.
 Arbeidstijd: volledige baan (van 38 uur)
 Arbeidsverkorting: verkorting van de werkweek (vb. van 38 naar 36)
 Automatisering: gebruik maken van computers, robots e.d.
 Bestedingen: uitgaven (geld)
 Concurrentiepositie t.o.v. het buitenland: Verschil in prijzen tussen binnen en buitenland
 Incidentele loonstijging: loonstijging door promotie
 Inflatie: stijging van algemeen prijspeil
 Initiële loonstijging: die komt door stijging van de arbeidproductiviteit
 Koopkracht: wat je kunt betalen/kopen
 Loonkosten: loon (p/maand)
 Loonkosten per product: bedrag dat een werknemer krijgt per product.
 Mechanisering: gebruik maken van machines
 Omzet: afzet x prijs
 Prijscompensatie: loonstijging die bedoeld is om koopkracht op peil te houden.
 Resultatenrekening: overzicht inkomsten en uitgaven en uiteindelijke winst.
 Substitutie van arbeid door kapitaalgoederen: mensen vervangen door machines.(veroorzaakt daling van loonkosten per product)
 Winst: omzet – kosten



§3.1 Loon in de ogen van werknemers.
 In Nederland bedraagt de inflatie elk jaar enkele procenten. Iedereen kent dit verschijnsel: inflatie, ofwel een stijging van het algemeen prijspeil.
 Als het loon in euro’s gelijk blijft, terwijl de prijzen stijgen, kunnen werknemers minder kopen. De koopkracht van het inkomen is gedaald. Werknemers willen een loonstijging die er voor zorgt dat zij evenveel kunnen blijven kopen. Een loonstijging die bedoeld is om de koopkracht op peil te ouden noemen we prijscompensatie.
 Prijscompensatie is een loonstijging die procentueel gelijk is aan de inflatie.
 Deze stijging van de gemiddelde productie per gewerkte tijdseenheid, bijv. per uur, noemen we de stijging van de arbeidsproductiviteit.
Oorzaken stijging arbeidsproductiviteit:
1. technische ontwikkeling: a. mechanisering en b. automatisering
2. arbeidsverdeling en specialisatie
3. scholing

Een loonstijging die voortvloeit uit een stijging van de arbeidsproductiviteit, noemen we een initiële loonstijging.
Als uitgangspunt voor de stijging van de arbeidsproductiviteit wordt de gemiddelde landelijke stijging van de arbeidsproductiviteit genomen.
- primaire sector (landbouw en visserij)
- secundaire sector (industrie)
- tertiaire sector (commerciële dienstverlening)
- quartaire sector (niet commerciële dienstverlening)

De prijscompensatie houdt de koopkracht op peil. Als een werknemer prijscompensatie krijgt, krijgt hij in euro’s meen loon. De prijscompensatie kan een werknemer echter niet meer kopen. Zijn loon stijgt immers evenveel als de prijzen

Door een initiële loonstijging kan een werknemer meer kopen.

Naast prijscompensatie en initiële loonstijging onderscheiden we ook nog incidentele loonstijgingen, dat zijn loonstijgingen bv. door promotie
Prijscompensatie en initiële loonstijgingen worden afgesproken en een cao. Alle werknemers die onder de cao vallen krijgen evenveel prijscompensatie en initiële loonstijging.

§3.2 Loon in de ogen van werknemers
Een werknemer ziet zijn loon vooral als inkomstenbron. Bedrijven zien loon in de eerste plaats als kosten. Hogere lonen leiden tot lagere winst, en dus tot minder inkomen voor de bedrijfseigenaren.

Omzet = afzet x prijs
Afzet = verkochte hoeveelheid
De omzet van een bedrijf is gelijk aan de afzet maal de verkoop prijs. De omzet is de waarde van de verkochte goederen. Een andere term voor omzet is de totale opbrengst.

Om die omzet te kunnen behalen, moet een bedrijf allerlei kosten maken. De meeste bedrijven moeten veel geld betalen aan:
- lonen
- rentekosten
- huurkosten
- machine kosten, transportkosten, kosten van grondstoffen, hulpstoffen en energie.

Winst is het verschil tussen omzet en kosten.
Een loonstijging kan tot problemen leiden wanneer de loonstijging groter is dan de stijging van de arbeidsproductiviteit. Dan stijgen namelijk de loonkosten per product.

Een stijging van de loonkosten per product kan verschillende reacties van bedrijven uitlokken:
- hun prijzen verhogen.
- dalende winsten schrikken ondernemers af (nemen geen risico’s).
- bedrijven kunnen hun productie naar lagelonenlanden verplaatsen.
- Ze doen hun best mensen te vervangen door machines

Als bedrijven in NL hun prijzen in verhouding meer verhogen dan de buitenlandse bedrijven, worden NL producten relatief duurder. We zeggen dan: de concurrentiepositie van de NL bedrijfsleven ten opzichte van het buitenland verslechtert.



§ 3.3 Loon: kosten of koopkracht
Vakbonden komen op voor de belangen van werknemers. Eén van de eisen die vakbonden altijd stellen in cao-onderhandelingen, is een verhoging van het loon.
Behalve voor een goed loon, strijden vakbonden immers ook voor voldoende werkgelegenheid.

Hogere lonen kunnen leiden tot lagere winsten. Om die reden staan werkgevers in het algemeen niet altijd positief tegenover forse loonstijgingen. Toch hebben bedrijven ook voordeel van hogere lonen.
Aan het loon zitten dus twee kanten:
- een kostenpost
- een bron van bestedingen

§3.4 Loonstijging in de praktijk
Initiële is gebaseerd op een stijging van de arbeidsproductiviteit, en prijscompensatie, gebaseerd op inflatie.
Door hogere prijzen en een stijging van de arbeidsproductiviteit stijgt de omzet van een bedrijf.

In de praktijk wordt niet de arbeidsproductiviteit van een bedrijf als uitgangspunt voor de loonstijging van dat bedrijf genomen, maar de gemiddelde landelijke stijging van de arbeidsproductiviteit,

 Als arbeidsproductiviteit meer stijgt dan het loon, dalen de loonkosten per product
(en omgekeerd)

Invloed op de lonen:
- inflatie
- arbeidsproductiviteit
- krapte op de arbeidsmarkt

Maar vakbonden kunnen ook kiezen voor verbetering van de secundaire arbeidsvoorwaarden in plaats van loonstijging.


Samenvatting Economie Hoofdstuk 4
Wie doet het werk

Arbeidsintensiever  als er bij de productie meer arbeid ten opzichte van machines ingeschakeld wordt.
Arbeidsproductiviteit  gemiddelde productie per werknemer per gewerkte tijdseenheid.
Automatisering gebruik maken van computers, robots e.d.
Breedte-investering  als een bedrijf een kapitaalgoed koopt van dezelfde kwaliteit.
Concurrentiepositie  het vermogen om beter en/of goedkoper te kunnen produceren dan concurrenten.
Consumeren  als een gezin goederen of diensten koopt.
Consumptie  totale vraag naar goederen en diensten in een land
Diepte-investering  als een bedrijf een kapitaalgoed koopt van een betere kwaliteit
Investeren  het kopen van kapitaalgoederen (machines, gebouwen, transportmiddelen, computers e.d.) door bedrijven.
Kapitaal  kapitaalgoed
Kapitaalgoederen  machines, gebouwen, transportmiddelen e.d.
Kapitaalintensiever  als er bij de productie meer machines worden ingeschakeld dan arbeid.
Kapitaalkosten  de kosten van kapitaalgoederen
Loonkosten  wat werkgever aan werknemer moet betalen
Mechanisering  het gebruik maken van machines
Multinationals  onderneming met productievestigingen in diverse landen.
Schaalvoordelen  dat kosten per product dalen als de productieomvang stijgt.
Productiecapaciteit  de maximale hoeveelheid die geproduceerd kan worden.




§ 4.2 Verschuivingen in de werkgelegenheid
Als de totale productie stijgt zijn er meer werknemers nodig, als elke werknemer evenveel blijft maken. Als de arbeidsproductiviteit stijgt, dus als de werknemer per tijdseenheid meer produceert, zijn er minder werknemers nodig om dezelfde hoeveelheid producten te maken

Productie = werkgelegenheid x arbeidsproductiviteit

Werkgelegenheid = Productie________
Arbeidsproductiviteit

Arbeidsproductiviteit = Productie_______
Werkgelegenheid

Indexcijfer productie = Indexcijfer werkgelegenheid x indexcijfer arbeidsproductiviteit
100

Indexcijferwerkgelegenheid = Indexcijfer productie_____ x100
Indexcijfer arbeidsproductiviteit

Indexcijfer arbeidsproductiviteit = indexcijfer productie____ x100
Indexcijfer werkgelegenheid

Indexcijfer = aantal procenten + 100

- Doordat er minder mensen nodig waren in de landbouw kon de werkgelegenheid in andere sectoren groeien zoals de industrie en de dienstverlening.
- In de niet-commerciële dienstverlening zijn de mogelijkheden voor een stijging van de arbeidsproductiviteit beperkt
- Ook verdwijnt de werkgelegenheid in sectoren waarvan de producten niet meer gevraagd worden omdat er betere vervangers op de markt komen
Het vernieuwen van productieprocessen noemen we innovatie
Vaak lijden de verschuivingen op korte termijn tot werkloosheid. Op langere termijn groeit de werkgelegenheid in andere bedrijfstakken of sectoren en ontstaan er nieuwe

§ 4.3 Mens of machine
Investeren is het kopen van kapitaalgoederen (machines, gebouwen, transportmiddelen, computers e.d.) door bedrijven. Kapitaalgoederen noemen we ook wel kortweg kapitaal.
Als een gezin goederen of diensten koopt noemen we dit consumeren

Door een analyse van de kosten van de verschillenden productiemethoden, kan een bedrijf nagaan welke productiemethode de minste kosten en dus de meeste winst oplevert.

Bedrijven kunnen vaak kiezen uit verschillende combinaties van machines en werknemers om een bepaalde hoeveelheid goederen te produceren. Welke keuze een bedrijf maakt hangt onder meer af van de arbeidskosten en de kosten van kapitaalgoederen (de kapitaalkosten) Wordt bij de productie meer arbeid ten opzichte van machines ingeschakeld, dan wordt de productie arbeidsintensiever

De stijgende loonkosten leiden ertoe dat een fabriek mensen ging vervangen door beter modernere machines. De productie werd hierdoor kapitaalintensiever en de arbeidsproductiviteit steeg: er waren minder werknemers nodig voor dezelfde productie.

Breedte- & diepte-investering:
- Diepte-investering Het kopen van kapitaalgoederen waarbij de arbeidsproductiviteit stijgt.
- Breedte-investering  Het kopen van kapitaalgoederen waarbij de arbeidsproductiviteit gelijk blijft

Vlottende & vaste kapitaalgoederen:
- vlottende  goederen die maar één productieproces meegaan
- vaste  goederen die meer dan één proces meegaan

Kapitaalgoederen: goederen die gebruikt worden om andere goederen mee te maken, met als doel winst te behalen.

Zowel een breedte- als een diepte-investering kan betrekking hebben op vervangen van oude machines maar ook op uitbreiding van het machinepark.

Hogere lonen kunnen leiden tot vervanging van de arbeid door machines en daarmee tot werkeloosheid.

Sommige economen menen dan ook dat een sterke stijging van de lonen soms gewenst is omdat de diepte-investeringen uitlokt en daarmee de welvaart vergroot.

§ 4.4 Hier of daar

Te hoge loonkosten kunnen ervoor zorgen toe leiden dat er productie verplaatst wordt naar het buitenland.

Er zijn twee manieren waarop productie naar het buitenland verplaatst kan worden.
1. Het sluiten van vestigingen in bijv. NL en openen van een vergelijkbare vestiging in bijv. Indonesië.
2. ook kan het zijn dat bedrijven bijvoorbeeld uit Nederland worden weggeconcurreerd door bedrijven uit lagelonenlanden

Het verplaatsten van productie naar het buitenland hangt samen met de concurrentiepositie van een land ten opzichte van het buitenland.
De wapens in de concurrentiestrijd zijn de
1. prijs
2. kwaliteit
3. infrastructuur

Als door loonstijgingen bedrijven verplaatst worden naar het buitenland kunnen massaontslagen binnen korte tijd tot aanzienlijk banenverlies leiden. De werkeloosheid zal dan sterk stijgen

Loon is niet alleen een kostenpost maar ook een bron van bestedingen. Als alle bedrijven hun lonen zouden gaan verlagen, zouden ze zichzelf voor een groot probleem stellen: werknemers zouden te weinig inkomen hebben om de geproduceerde goederen te kunnen kopen.

De hoeveelheid goederen die de bedrijven in een land verkopen, hangt af van de totale vraag naar goederen en diensten in een land. De vragers van goederen en diensten in een land zijn:
1. de gezinnen
2. de bedrijven
3. de overheid
4. het buitenland

Redenering:
Als de werknemers een initiële of incidentele loonstijging krijgen, kunnen ze meer kopen. Hierdoor stijgt de totale vraag naar goederen en diensten in een land: de consumptie stijgt. De bedrijven zien hun afzet stijgen en zullen hun productie verhogen. En voor die hogere productie zijn weer extra werknemers nodig.

Economie hoofdstuk 5 werkloosheid

Aanzuigeffect de beroepsbevolking groeit omdat de kans op een baan groter is
Arbeidsbemiddeling contact tussen werknemers en werkgevers
Arbeidsmarktbeleid (gericht op bestrijden van kwantitatieve structuur werkloosheid)
Arbeidsmobiliteit tussen beroepsgroepen - als men bereid is om te scholen.
- (regionale) bereid te reizen of verhuizen voor
een baan.
- Tussen werken en niet werken
Arbeidstijd aantal uren dat een werknemer met een volledige baan per week werkt.
Bedrijfstijd geeft aan hoeveel uren per week een bedrijf ‘draait’
Werkelijke productie
Bezettingsgraad = productiecapaciteit
Brutoloon loonkosten- werkgevers lasten; sociale premies + belastingen
Centrum voor werk en inkomen  CWI instelling van de overheid waarbij je moet
inschrijven als je werkloos bent.
Conjunctuurwerkloosheid  wanneer de bestedingen laag zijn in relatie tot de productiecapaciteit wordt er weinig geproduceerd en worden er mensen ontslagen.
Deelmarkt  deel van de arbeidsmarkt (schilders/loodgieters/boekhouders)
Deeltijdwerker  werkt een vast aantal uur per week maar minder uren dan een
Dienstverband voor bepaalde tijd arbeidscontracten met een bepaalde duur (vb. 1 jaar)
Effectieve vraag totale vraag naar alle goederen en diensten die een land produceert in een periode.
Flexibele arbeidsduur  aantal uur dat je werkt ligt niet vast.
Flexibilisering  - ontslagrecht
- loslaten van vaste werk- tijden en -dagen.
Frictie werkloosheid werkloosheid die ontstaan omdat het tijd kost voor een werknemer om een baan te vinden als je van school komt of pas ontslagen bent.
Geregistreerde werkloosheid Werklozen die ingeschreven staan bij het CWI
Herbezetting mensen gaan werken voor uren dat andere mensen minder gaan werken.
Innovatie  het ontwikkelen van nieuwe producten en ontwikkelen en in gebruik nemen van nieuwe productieprocessen.
Krappe arbeidmarkt als de vraag naar arbeid groter is dan het aanbod
Kwalitatieve structuurwerkloosheid  er worden andere soorten arbeid gevraagd dan aangeboden.
Kwantitatieve structuurwerkloosheid  er zij te weinig kapitaalgoederen ten opzichte van de aangeboden hoeveelheid arbeid (tekort aan machines)
Nettoloon  loonkosten – sociale premies en belastingen van werkgever & werknemer.
Officiële werkloosheid - 16 t/m 64jaar
- die minder dan 12 uur werken
- en die werk zoeken voor meer uur per week
- ingeschreven bij CWI
- en die binnen twee weken aan het werk kunnen
Onbepaalde tijd
Ontmoedigingseffect  de beroepsbevolking daalt omdat er een kleiner kans op een baan is
Productiecapaciteit hoeveelheid die geproduceerd wordt binnen een bepaalde tijdseenheid.
Regionale arbeidsmobiliteit als mensen bereid zijn te reizen of te verhuizen voor een baan.
Ruime arbeidsmarkt als de vraag naar arbeid kleiner is dan het aanbod
Seizoenswerkloosheid ontstaat omdat bepaalde bedrijven in het ene jaargetijde niet of minder produceren dan in het andere.
Uitzendbureau commerciële organisatie die bemiddelt in tijdelijk
Uitzendkrachten werknemers die via een uitzendbureau werken.
Vast dienstverband arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
Verborgen werkloosheid mensen die wel willen werken maar die niet zijn ingeschreven bij CWI.
Volledig dienstverband (volledige baan/fulltime)
Werkgelegenheid in arbeidsjaren volledige baan
Werkgelegenheid in personen  hoeveel personen er kunnen werken
Werkloze beroepsbevolking - 16 t/m 64jaar
- die minstens 12 uur per week werken
- ingeschreven bij CWI
- en die beschikbaar zijn
- activiteiten ontplooien om werk voor minstens 12 uur per
week te vinden
Werknemer met een volledige baan (fulltime werker)
Wig verschil tussen loonkosten en nettoloon.
Zwart werk werk waarvoor men loon krijgt waar geen belasting over betaald wordt.

Aant.
Verschillende soorten werkeloosheid

1. Frictiewerkloosheid
 Tussen twee banen of tussen school en baan, (kortdurig werkloos)
2. Seizoenswerkloosheid
 Die afhankelijk is van de seizoenen.
3&4. Structuurwerkloosheid
 Mensen kunnen binnen de productiecapaciteit nooit werken (altijd aanbodzijde van de producten en diensten.
3. Kwalitatieve structuurwerkloosheid
 Werklozen én vacatures
A. Geen juiste opleiding en/of capaciteiten.
B. Regionale oorzaak
4. Kwantitatieve structuurwerkloosheid
 Hoeveelheid mensen die nooit binnen de productiecapaciteit een baan vinden.
5. Conjuncturele werkloosheid
 Effectieve vraag kleiner dan de productiecapaciteit (te weinig vraag naar goederen en diensten)

 Kwantitatieve structuurwerkloosheid; oorzaken:
- werknemers vervangen door machines
- door reorganisaties in bedrijven die efficiënter willen werken
- verplaatsing naar het buitenland
- winsten van bedrijven ingezakt/ze hebben geen geld om uit te breiden
- er verdwijnen arbeidsplaatsen omdat het product niet meer verkocht word.
- Er verdwijnen arbeidsplaatsen omdat sommige producten te duur zijn.




Bestrijden van de werkloosheid:
 Werkloosheid betekend:
- mensen hebben gebrek aan inkomen
- missen belangrijke waardering voor capaciteiten/ en sociale contacten


 Maatregelen tegen conjunctuurwerkloosheid
• De overheid moet meer besteden
a. door aanleg van wegen of bouwen van scholen.
b. Hogere ambtenaren salarissen.
• verlagen van de
a. Belastingen of
b. Het verstrekken van subsidies

 Maatregelen tegen kwalitatieve structuurwerkloosheid
• omscholingsprojecten
• verhuis- en reis- kostenvergoedingen
• verstrekken van subsidies aan bedrijven die langdurig werklozen in dienst nemen.
(als bedrijven meer investeren, stijgt ook weer de effectieve vraag, de productie en de werkgelegenheid)
* Arbeidmobiliteit vergroten: zie bovenstaande punten .

 Maatregelen tegen kwantitatieve werkloosheid
-> een belangrijk element van dit arbeidsbeleid is het verlagen van loonkosten. Lagere loonkosten kunnen om verschillende redenen een positief effect hebben op de werkgelegenheid.
* Kunnen lijden tot lagere prijzen
* Vergroten de winstgevendheid van bedrijven
* Maken het minder aantrekkelijk mensen te vervangen door machines
* Maken het minder aantrekkelijk bedrijven te verplaatsen naar buitenland
- te bereiken door 1. Verlagen van brutoloon
2. Belastingen en sociale premies verlagen of subsidies aan bedrijven geven
3. Bevorderen van, Het ontwikkelen van nieuwe producten en het in gebruik nemen van nieuwe productieprocessen.
4. Arbeidstijdverkorting.
 Maatregelen tegen seizoen en frictiewerkloosheid:
Het zijn bijna natuurlijke verschijnselen, ze zullen ook wel altijd voorkomen (verbeteren door betere arbeidsbemiddeling)

Belangrijk!
De verslagen op Scholieren.com zijn bedoeld als naslagwerk. Lever nooit verslagen van internet zomaar bij je leraar in. Je bent zelf verantwoordelijk voor de gevolgen van dit soort fraude.

Wij krijgen de verslagen van scholieren. Hierdoor kan het gebeuren dat er foute informatie online staat. Gebruik geschiedt dus op eigen risico. Kom je een fout tegen? Laat het ons weten.

Zoeken zoeken

geef je mening: Jij en je geld

Wat voor geldtype ben jij?


Ik vind het best moeilijk om mijn geld uit te geven, ik spaar liever

Ik spaar eerst voordat ik iets koop

Wat ik heb aan geld, geef ik direct uit

Als ik iets wil en ik heb geen geld dan leen ik het

Ik denk goed na voordat ik geld uitgeef


Meer weten over jezelf en je geld? Doe dan mee aan het Scholieren onderzoek van het Nibud en steun zo kinderen in arme landen!

nieuwsbrief

Elke maand onze nieuwsbrief in je mailbox?