Samenvattingen Economie: ‘Boek 1’
Hoofdstuk 1: § 1 t/m § 12:
Belang= iets waar je voordel van hebt.
Maatschappelijk vraagstuk= het gat over een beslissing over de inrichting van de samenleving.
Schaarste =de spanning tussen behoefte en de middelen om in die behoeften te voorzien.
Productie= het inzetten van middelen om in behoefte te voorzien.
Welvaart= de mate waarin we in onze behoefte voorzien door schaarse middelen te gebruiken.
Welzijn= je lekker voelen zonder dat een keuzeprobleem een rol speelt.
Marktmechanisme= vrij spel van vraag en aanbod die van invloed is voor de prijs van een goed.
Nettoloon= Brutoloon- loonbelasting en sociale premies
Produceren= het voortbrengen van goederen en diensten met behulp van productiefactoren door bedrijven en overheid.
CAO= geldt voor alle werknemers in dezelfde bedrijfstak.
Duurzame consumptiegoederen= Goederen die langere tijd meegaan.
Interne markt= er zijn geen handels belemmeringen tussen landen meer, alle handel binnen de EU.
Overheid= centrale overheid(het rijk), en de lagere overheid ( gemeente en provincies).
Invloed overheid:
- Gebruik productiefactoren;
- Nationaal inkomen herverdelen;
- Economische ontwikkelingen stabiliseren.
Absolute verandering= toe- of afname van iets
Relatieve verandering= absolute verandering : oorspronkelijke waarde
Hoofdstuk 2: § 1 t/m 14.
4 Productiefactoren:
- Natuur
- Arbeid
- Kapitaal
- Ondernemersactiviteit
Kapitaal= bedrag aan geld of waarde van bezittingen.
Natuur= natuurlijke omgeving, hulpbronnen ligging van een gebied.
Arbeid= betaald werk
Ondernemersactiviteit= economische risico’s die een eigenaar bereid is te nemen.
Vast kapitaal Vlottend Kapitaal
Gaan langer dan 1 Gaan maar 1 productieproces mee
Productieproces mee
Nationaal product= waarde van de productie in een land in een jaar.
Productie in formele zin= meetbare productie (geregistreerd)
Productie in informele zin= niet geregistreerde productie
Markt= een samenhangend geheel van vraag en aanbod van een goed.
Concrete markt= duidelijk aanwijsbare plaats waar vragers en aanbieders elkaar op vaste tijdstippen ontmoeten.
Abstracte markt= op alle mogelijke momenten is er sprake van vraag en aanbod van een product.
Markten voor productiefactoren: 1.Arbeidsmarkt- loon&salaris.
2.Vermogensmarkt- koers
Belangengroep= een organisatie die voordelen probeert te behalen voor de mensen die ze vertegenwoordigt.
2 soorten:
- Consumentenorganisaties;
- Vakbonden.
Interne arbeidsverdeling= arbeidsverdeling binnen een organisatie.
Externe arbeidsverdeling= verdeling tussen ondernemingen.
Geografische arbeidsverdeling= verdeling tussen regio’s en landen.
Arbeidsproductiviteit= productie per werknemer per tijdseenheid.
Diepte- investering= APT minder arbeiders. Hoeveelheid kapitaal neemt meer toe dan de hoeveelheid arbeid.
Breedte- investering= APT blijft gelijk.
Reëel= in % gecorrigeerd voor prijsverandering
Nominaal= in guldens.
Economische groei= % verandering van het reëel nationaal product in een bepaald jaar, vergeleken met het vorige.
Nationaal inkomen= het inkomen dat voor de bevolking vaneen land in een jaar ter beschikking komt. = totaal aan beloningen voor het gebruik van productiefactoren.
Nationaal product= nationaal inkomen.
Welvaartsgroei= de mate waarin de schaarste is teruggedrongen.
Netto toegevoegde waarde= bruto toegevoegde waarde – afschrijvingen
= beloningen voor productiefactoren(rente, pacht, huur loon & winst)
Nationaal= bedrijven en overheid van een land.
Toegevoegde waarde overheid= som ambtenarensalarissen.
bruto- investeringen= vaste + vlottende activa(kapitaalgoederen)
Voorraad kapitaalgoederen verandert door de volgende soorten investeringen:
- Vervangings
- Uitbreidings
- Voorraadinvesteringen
Voorraad mutaties vlottend kapitaal
Netto = +
Bruto Uitbreidings Investeringen
Vast kapitaal
vervangins = afschrijven
5 deelnemers economisch verkeer:
1. Gezinnen; Y= inkomen, B= belasting, C= consumptie,S= besparingen.
2. Ondernemingen; I= particulieren investeringen
3. Overheid; O= bestedingen,B= ontvang
4. Financiële instellingen;
5. Buitenland; E= export, M= import
Productievolume= de werkelijke hoeveelheid voortgebrachte goederen en diensten.
Bezettingsgraad= deel van de productiecapaciteit dat word benut.
Recessie= kleine daling van het nationaal inkomen
Depressie= grote daling van het nationaal inkomen
Laag\hoog conjunctuur= nationaal inkomen daalt\stijgt.
Conjunctuur structurele
Korte termijn lange termijn
Vraagkant aanbodkant
Bestedingen manier van produceren
Constant verschillend
Krimp= afnemen van de productiecapaciteit.
Invloed op bestedingen(Conjunctuur)
- Rentestand
- Ontvangsten uitgaven overheid
- Wereldhandel
Indexcijfer= nieuw: oud = niet procentueel zie blz 85
Hoofdstuk 4 § 1 t/m § 14
Conjunctureel vraag naar arbeid:
- Totale omvang bestedingen
Structureel vraag naar arbeid:
- Daling koopkracht
- Kapitaalintensief
- Lagelonenlanden
- APT
- Arbeidsduurverkorting
Vier economische sectoren:
1. Primair : landbouw visserij bosbouw.
2. Secundair : verwerking van grondstoffen en fabricage.
3. Tertiair : commerciële dienstverlening strevend naar winst.
4. Quartair : commerciële dienstverlening niet strevend naar winst.
Marktsector= primair, secundair & tertiair.
Collectieve sector= quartair.
Mechanisatie= meer kapitaalgoederen zonder ontslagen
Automatisering= meer kapitaalgoederen, wel ontslagen.
Werkloosheid= verschil vraag en aanbod arbeid.
Conjunctuurwerkloosheid= vraag van arbeid is lager dan het aanbod van arbeid
Structuurwerkloosheid= APT stijgt minder dan de loonkosten
Frictiewerkloosheid= 1e drie maanden waarin je werkloos bent
Marktmechanisme= prijs hangt af van vraag en aanbod
Bureaucratisch= opgelegd door de overheid.
Budgetmechanisme
Democratisch= budgetplan word democratisch vastgesteld.
Nadelen marktmechanisme:
- Gebrek aan collectieve goederen
- Milieuvervuiling
- Varkenscyclus
- Sociale onrechtvaardigheid(inkomensverschillen)
- Starre marktprijzen
Collectieve goederen= zijn niet in aparte eenheden leverbaar.
Prijsstarheid= prijzen veranderen lange tijd weinig
Nadelen budgetmechanisme:
- Complexiteit
- Starheid
- Doelmatige prikkels ontbreken
- Individuele onvrijheid
Adviesorganen overheid:
SER- Economische raad
CPB- voorspellingen
CBS-verzamelt gegevens afgelopen jaren
Loonsstijgingen:
Prijscompensatie= loon stijgt met kosten
Initiële loonstijging= stijging op de prijscompensatie
Incidentele loonstijging= promotie, overwerk
Winstdeling regeling= werknemer deelt mee in de winst.
Hoofdstuk 5 § 1 t/m § 14
Ondernemingsvormen eigendom leiding aansprakelijkheid
Eenmanszaak eigenaar eigenaar eigenaar met verm.
Vof vennoten vennoten vennoten met verm.
BV\NV aandeelhouders aangestelde rechtspersoon
Balans
Debet Credit
Bezittingen….. eigen +vreemd vermogen =schulden
Resultatenrekening
Opbrengsten & kosten- winst
Productievolume
----------------------- x 100%= bezettingsgraad
productiecapaciteit
Lange termijn:
(uitbreidingsinvesteringen) bepalende factoren omvang particulieren investeringen:
- Winstverwachting
- Afzetverwachting
- Vermogenskosten
Investeringen:
Voorraadmutaties vlottend kapitaal
netto
Bruto= uitbreidings
Vast kapitaal
Vervangings = afschrijvingen
- Diepte
- Milieubesparende
- Kapitaalbesparende
Innovatie= verbeteren of vernieuwen van producten
Totale kosten= totale variabele kosten + totale constante kosten
TK= TVK + TCK
Totale Winst= Totale opbrengst- Totale Kosten
TW= TO – TK
Break-even afzet= eenheden
Break- even omzet= euro\gulden
P= prijs
Q= eenheden
Totale opbrengst= prijs x eenheden
TO= p x q
Substitutiegoederen = vervangende goederen
Complementaire goederen= goederen vullen elkaar aan
Qv= gevraagde hoeveelheid
Prijselasticiteit stencil!!!
Prijselastisch= groter als 1
Prijsinelastisch= tussen 1 en 0
Volkomen inelastische= 0
Qa= aangeboden hoeveelheid
Doelstellingen gemeenschappelijk landbouwbeleid EU:
- Gemeenschappelijk landbouwbeleid
- Vergroting productiviteit
- Redelijk inkomen
- Stabilisering van de prijzen
- Veilig stellen voedselvoorziening
- Redelijke prijzen voor consument
Kartel= overeenkomst tussen zelfstandige ondernemingen om onderlinge concurrentie te voorkomen.
Marketing- mix 4 p’s:
1. Promotie
2. Plaats
3. Prijs beleid
4. Productie
Rayon kartel= totale afzetgebied word verdeeld onder de verschillende deelnemers van het kartel.
Hoofdstuk 6 § 1 t/m § 14
BNP= alle bruto toegevoegde waarden
NNP= alle netto toegevoegde waarden
Progressief tarief= hoe meer je verdient hoe meer belasting je betaalt.
Marginaal tarief= belastingtarief voor een extra verdiende gulden.
Marginale druk=
Primair inkomen= inkomen dat je krijgt voor beloning voor je productiefactoren.
Secundair inkomen= primair- belastingen – sociale premies+ subsidies + sociale uitkering. ( Besteedbaar inkomen.)
Lorenz- curve----------
Categorale- inkomensverdeling= hoe het nationaal inkomen is verdeeld over de
Beloningen voor productiefactoren.
Loon
Loonquote= ----------------------x100%
Netto toegevoegde waarde.
Loonruimte= stijging van de APT + stijging verkoopprijzen
APT= netto toegevoegde waarde
Arbeidsinkomen= productiefactor kapitaal
Vermogensinkomen= overige productiefactoren
Arbeidsinkomen quote= loonsom + toegerekend loon zelfstandigen
-----------------------------------------------
netto toegevoegde waarden bedrijven
Overheid grijpt in, in marktproces:
- Maximumprijs
- Minimumprijs interventie prijzen
- Buffervoorraden= deel van de productie wordt opgeslagen.
- Vergunningen
- Collectieve goederen
Buiten de markt om= komen niet tot uitdrukking in de prijs.
Externe effecten= onbedoelde bijwerkingen van productie en consumptie die buiten de markt om welvaart van een ander beïnvloeden.
Duurzame ontwikkeling= voorzien in de behoeft van de huidige generatie, zonder dat de volgende generatie er last van heeft.
REACTIES
1 seconde geleden